The post Bosrijk – Anne Sverdrup-Thygeson appeared first on Boekenstrijd.
]]>
Wat is een bos? Dat is een vraag die iedereen die over bossen schrijft, moet beantwoorden. Volgens bioloog Anne Sverdrup-Thygeson is een bos niet alleen een verzameling bomen, en ook geen plek om zoveel mogelijk hout te produceren. Een bos is een ecosysteem, waarin tal van levende organismen samen leven, soms als concurrenten, soms in samenwerking. De kleine levende wezens zijn net zo goed deel van het bos als de grootste bomen.
Een bos is zelfs meer dan deze verzameling leven, die ook voor de mens nuttige zaken produceert. “Het bos kan tegen ons praten in een taal die uitstijgt boven de wetenschap en verder gaat dan de waarde van hout en voedselbelangen.’ Dat blijkt bijvoorbeeld uit de vele religieuze en spirituele verhalen rond bomen en bossen. Volgens Noorse mythen werden mensen geschapen uit stukken hout.
Deze brede benadering geeft Sverdrup de kans om heel veel verschillende verhalen te vertellen. Ze vertelt over de berk, de ratelpopulier en andere bomen. Maar net zo lief of misschien nog wel liever over de ‘kriebelbeestjes’ die welig tieren in levend en vooral dood hout. Sverdrup is entomoloog en schreef eerder een boek over insecten. Zo heeft ze veel oog voor de biodiversiteit van bossen. Daarnaast gaat ze uitgebreid in op de effecten van houtkap en de aanleg van productiebossen. Ook in Noorwegen is er bijna geen oerbos meer.
Bijna al haar voorbeelden komen uit het Noorse of in ieder geval Scandinavische bos. Dat is niet erg, en ook interessant. Het Noorse bos wijkt deels wel tamelijk sterk af van de bossen in Nederland. Voor een groot deel is het ‘boreaal’ bos, met veel berken, grove den en spar. Eiken en beuken, die in Nederland vaak domineren, zijn er minder. En in Noorwegen en Zweden is veel meer bos.

Liggende boomlijken
Een bos is altijd veranderlijk, schrijft Sverdrup. Op grote schaal, door droogte, branden of stormen. En op kleine schaal door het sneuvelen van een of enkele bomen. Een bos is een combinatie van leven en dood, bomen kunnen dood ook jaren-, decennia, zelfs eeuwenlang voortbestaan, als staande of liggende boomlijken. In dood hout zit ook het grootste deel van de koolstofopslag.
Veel van het leven in het bos, in ieder geval het overgrote deel van de soorten, bestaat uit wat in dit boek ‘kriebelbeestjes’ worden genoemd. Het is een verzamelnaam voor allerlei ongewervelde beestjes. Ze vertelt er soms bizarre verhalen over, zoals over de gewone kogelschieter, een schimmel die zijn sporen lanceert met een enorme snelheid.
Sverdrup is kritisch over de opvatting dat het bos wordt beheerst door een ‘wood-wide-web’, waar bomen ‘als een gelukkige familie’ kletsen en de grondstoffen ‘volgens goede sociaaldemocratische principes’ worden verdeeld. Volgens haar rechtvaardigt de kennis over het schimmelnetwerk dergelijke vergelijkingen niet. Daar kan Suzanne Simard, de bedenker van het concept, het mee doen.
Aan de andere kant verzet ze zich tegen al diegenen die het bos vooral als ‘een houtfabriek’ zien, een plek die er vooral is om in materiële menselijke behoeften te voorzien. Een bos is zoveel meer dan dat. Veelzeggend is ook haar uitspraak dat mensen wel bomen kunnen planten, maar geen nieuw bos.

Een deel van deze sparren is dood
Ze gaat ook in op de culturele betekenis van bomen en bossen. Het bos als schuilplaats voor duistere zaken, een plek waar je kunt verdwalen. Dat negatieve imago, overigens maar een van de verbeeldingen van bossen, staat tegenover de vaak positieve rol van individuele bomen, als de levensboom of de wereldboom.
Bosrijk is een aardige inleiding in het bos en biedt een goede uitleg van de biologische en ecologische principes die daar werkzaam zijn. Sverdrup is een beschouwer die vele perspectieven op bomen en bossen los laat. Die breedte gaat wel wat ten koste van de diepgang.
Naast de wetenschap is er ruimte voor haar persoonlijke ervaringen. Puur op basis van wetenschap redeneren is haar te beperkt. Er is een ‘herbetovering’ nodig, waardoor de natuur weer de nodige waardering krijgt en we kunnen ‘leven met het bos’.
The post Bosrijk – Anne Sverdrup-Thygeson appeared first on Boekenstrijd.
]]>The post Fire Weather – John Vaillant appeared first on Boekenstrijd.
]]>
Inzoomen en uitzoomen. Details en context. Beschrijving en analyse. Het zijn die afwisselingen die veel indrukwekkende journalistieke producties onderscheiden van middelmatige werken. Ze laten de lezer meebeleven, maar geven ook een breder perspectief op een gebeurtenis.
De Amerikaans-Canadese schrijver John Vaillant toont zich hier een meester in Fire Weather: in zijn boek over een enorme bosbrand in Canada. En over veel meer dus. Het ene moment volgt hij het verloop van die brand per minuut, of nog korter, want dit vuur rekent in secondes af met bomen en zelfs huizen. Dan neemt hij afstand, schrijft hij over de fysica van zeer hete branden, de bombardementen op Harmburg in de Tweede Wereldoorlog, de economie van de fossiele industrie, en uiteraard klimaatverandering.
De bosbrand in mei 2016 rond en in de Canadese stad Fort McMurray blijft – flauw gezegd – het brandpunt van het boek. Vaillant beschrijft nauwgezet hoe het vuur dichterbij komt, maar de inwoners zich aanvankelijk niet echt bedreigd voelen. (Ik pakte bij het lezen Google Maps erbij om precies te kijken waar de brand woedde en hoe het nu uitziet.) De autoriteiten zenden tegenstrijdige berichten uit: ja, er is wat aan de hand, maar het zal wel meevallen. Pas op het allerlaatste moment komt de evacuatie op gang.
Helemaal verbazingwekkend is dat niet. De brand die zich rond Fort McMurray ontwikkelt, profiteert van zeer gunstige omstandigheden. Het is droog, de temperatuur is hoog, de wind hard en draaiend. De ratelpopulier, andere populieren en vooral de zwarte spar ontbranden als fakkels, eigenlijk exploderen ze. Als zo’n brand eenmaal een bepaalde omvang heeft, ontwikkelt die zijn eigen weersysteem en wordt het een zichzelf versterkende storm.
Het verhaal over de brand alleen had een spannend boek kunnen opleveren. Maar daar houdt Vaillant het niet bij. Eigenlijk is dit vuur in zijn boek meer een heel lang voorbeeld, (later geeft hij nog andere kortere voorbeelden) van hoe natuurbranden zich in extreme omstandigheden kunnen ontwikkelen. En dat op zich is een voorbeeld van het effect van klimaatverandering: al het kleine, gecontroleerde verbranden van fossiele brandstoffen dat leidt tot grootschalige, niet in de hand te houden gevolgen.

Inwoners evacueren uit Fort McMurray op 3 mei 2016. Foto: DarrenRD
Wat dat betreft is het vuur rond Fort McMurray zeer goed gekozen, want die stad is het hart van de Canadese teerzandindustrie. Hier worden uit teerzand, een minder goed bruikbare fossiel overblijfsel, op ingenieuze en ingrijpende wijze commercieel interessante producten gemaakt. Dat ging gepaard met enorme subsidies voor deze bedrijfstak. ‘Op een of andere manier hebben belastingbetalers altijd de rekening betaald.’
Vaillant geeft ook een uitgebreide geschiedenis van de wetenschap van klimaatverandering. Die begint hij vrij vroeg. Hij legt er vooral veel nadruk dat de grote oliemaatschappijen al lang wisten dat de grootschalige verbranding van fossiele brandstoffen het klimaat zou veranderen. De API liet in 1968 een rapport maken over de effecten en de conclusie was duidelijk: in het jaar 2000 zou de verandering merkbaar zijn. Maar het kapitalisme denderde door in dit ‘olietijdperk’, is de analyse van Vaillant.
Vuur 009, zoals een van de namen luidt, brandde vijftien maanden. Er vielen geen directe menselijke doden, maar de schade – financieel, infrastructureel, psychologisch – was enorm. Daarna zijn er veel meer zeer verwoestende natuurbranden geweest: in Canada, Californië en op Hawaii, in Australië en Chili. Steeds blijkt dat het vuur snelheden bereikt die eerder niet voor mogelijk werden gehouden. Het leek een kernbom, zei een van de getuigen van een enorme brand in Chili. En dat is geen overdrijving: de kracht van zo’n vuursysteem is inderdaad te vergelijken met die van een nucleaire explosie.
Eén kant van de brand blijft helaas grotendeels buiten beschouwing, en dat is de natuur. Hij beschrijft wel dat sommige bomen juist profiteren van branden en dat een jaar na een verwoestende brand de eerste groene scheuten alweer opschieten uit een verkoold landschap. Daar blijft het een beetje bij.
Fire Weather is naast een spannend en soms huiveringwekkend verslag vooral een waarschuwing: dit gaat vaker gebeuren. Of er voorzorgsmaatregelen te nemen zijn tegen dergelijke branden is maar de vraag. Op tijd wegwezen is een goed advies. Maar nu steeds meer mensen in de zogeheten Wood-Urban Interface (WUI) wonen, wordt dat vaak lastig.
Dan maar vertrouwen op de groene veerkracht van de natuur, zoals de twaalfde-eeuwse non en visionair Hildegard van Bingen al zei. Zij noemde deze kracht viriditas, zo schrijft Vaillant in zijn epiloog. Groenheid, letterlijk.
The post Fire Weather – John Vaillant appeared first on Boekenstrijd.
]]>The post Bosgevoel – Herman Vuijsje appeared first on Boekenstrijd.
]]>
Voor het echte bos moet je niet in Nederland zijn, dat is algemeen bekend. Socioloog Herman Vuijsje onderwierp dit cliché aan een grondig experiment. Hij liep tien dagen door het Nederlandse bos, over de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe. En het viel alleszins mee, zijn zoektocht naar Waldruh.
Vuijsje is geen kenner van het bos, daar komt hij in de inleiding rond vooruit. Hij is ook geen lyrische natuurschrijver die gedetailleerde beschrijvingen geeft van ontluikende knoppen, hamerende spechten en blozende bladeren. Het gaat hem om ‘horen, zien en voelen’ en een beetje overpeinzen.
Die overpeinzingen beginnen met het idee dat het nostalgische ‘bosverlangen’ draait om geborgenheid en bescherming. Hij verwijst ook een paar keer naar zijn jeugdherinneringen, toen hij met zijn ouders ‘een ommetje’ ging maken langs een oude beukenlaan. Dat vond hij toen verschrikkelijk, bijna een mensenleven later vindt hij dezelfde plek prachtig.
Zijn zorgvuldig uitgestippelde route (die alleen in grote lijnen in het boek staat) houdt hem zoveel mogelijk weg van snelwegen, distributiecentra en megastallen. Militaire terreinen zijn lastiger te omzeilen. Andere wandelaars zijn er nauwelijks, een ervaring die veel mensen zullen delen die zich iets verder van horeca en parkeerplaatsen begeven.
Vuijsje citeert veel, uit oudere reisbeschrijvingen, maar ook uit de literatuur, zoals Dante en Nescio, waardoor je als lezer niet alleen in een bos maar ook in een bibliotheek ronddwaalt.

Wodanseiken bij Wolfheze Foto Addie Schulte
Het bos is, misschien onverwacht, ook een plek waar de geschiedenis zichtbaar wordt. Hij komt langs Lunteren, waar de ‘Muur van Mussert’ staat, een omstreden en ‘het meest verwaarloosde’ rijksmonument. Hier hield de NSB de zogeheten landdagen, afgekeken van de NSDAP. Verder naar het noorden komt hij langs het Verscholen Dorp, waar een groep van een kleine honderd mensen zich in het bos verborgen hield voor de Duitse bezetter. Niet in Oost-Polen, maar op de Veluwe.
Ook de Arbeiders Jeugd Centrale was aangetrokken tot het bos, met een groot onderkomen in Vierhouten. Bij deze jongerenafdeling van de SDAP hadden zijn ouders elkaar leren kennen. Het fascineert Vuijsje, maar hij gruwelt er ook van: van het collectivisme en het ‘gedweep met de natuur’. Hij ziet overeenkomsten tussen de natuurobsessie van de nazi’s en de socialisten. Het kost hem meer moeite de – eveneens evidente – verschillen te zien.
Het zijn dergelijke associaties die hij moet overwinnen om het bos te leren waarderen. Alsof het bos door deze associaties per definitie een schuldig landschap is, om met Armando te spreken.
Uiteindelijk is Bosgevoel een hele positieve beschrijving geworden van het Nederlandse woud: geen gesomber en geklaag, maar bewondering, ontzag, en ook verwondering. Fraaie landschappen, rust, stilte, natuur, het is er allemaal. Dat dit hier kan, in een van de minst beboste landen van Europa! En Vuijsje ontmoet dan ook nog aardige mensen. Aan het eind van zijn wandeling en zijn boek heeft Vuijsje zijn eigen scepsis overwonnen, al vindt hij voor zijn vervoering niet echt de woorden. Al met al is het toch een prestatie van die bomen! Het Nederlandse bos heeft een ambassadeur gevonden.
The post Bosgevoel – Herman Vuijsje appeared first on Boekenstrijd.
]]>The post Apocalypsofie – Lisa Doeland appeared first on Boekenstrijd.
]]>
Mensen moeten leren uitsterven, schrijft filosoof Lisa Doeland. Want het is een vergissing te denken dat het allemaal wel goed komt. Maar is alles dan verloren?
Vanaf de eerste zin van het boek van filosoof Doeland is duidelijk dat dit geen feel-good werk gaat worden. Ze begint met de ‘pijnlijke waarheid dat de wereld zoals wij die kennen allang voorbij is’. Ook is helder, al na die eerste zin, dat dit boek discussie oproept met uitgesproken stellingen. Klopt het wat ze zegt?
En wie wordt er bedoeld met dat ‘wij’? De schrijver en de lezer? Activisten van Extinction Rebellion, zoals Doeland? De mensheid? Naar eigen zeggen gebruikt Doeland het eerste persoon meervoud zo’n zevenhonderd keer in het boek, zonder duidelijk te maken wie ze er precies mee bedoelt. ‘Want het collectiveert. Het activeert.’ Maar juist het collectief maken van problemen kan leiden tot passiviteit. Gooi het maar over de schutting bij het ‘wij’.
Apocalypsofie verschilt op een belangrijk punt van vele klimaatboeken die nu verschijnen. Hier wordt niet voor de zoveelste keer uitgelegd hoe ‘we’ de ‘planeet’ kunnen redden. Dit is een uitgesproken pessimistisch werk, een pleidooi voor doemdenken. Doeland verzet zich tegen ‘gevaarlijke fantasieën’ die gebruikt worden om de onrust over de diverse crises te bezweren. Redden wat er te redden valt, dat is het hoogst haalbare.
Het eerste bewijsstuk dat Doeland aanvoert, is het inmiddels vijftig jaar oude Grenzen aan de groei, van de Club van Rome. Sinds 1972 is er volgens haar ‘niets’ gedaan met de waarschuwingen uit dat rapport. De ondergang die daarin werd voorzien, is in volle gang. Ze vermoeit de lezer amper met statistieken of andere data die deze stelling onderbouwen, dergelijke beweringen worden als voldongen feiten gepresenteerd.
Maar er is een ‘ander einde’ mogelijk, schrijft Doeland, een karakterisering die eerder onder meer werd gebruikt door de Kroatische filosoof Srecko Horvat. Ze volgt hem in de uitleg dat de term apocalyps niet ‘het einde van de wereld’ betekent, maar duidt op een onthulling, een aankondiging van een wending. Die onthulling is al op tal van manieren gedaan, dus in die zin is dit een post-apocalyptische tijd.
Doeland legt een verband met haar activisme voor Extinction Rebellion. Actie is er volgens haar niet om te laten zien dat het nog niet te laat is, maar omdat het te laat is. Extinction Rebellion zelf schrijft op zijn website: ‘We hebben nog maar een paar jaar om de ergste gevolgen van de klimaatcrisis af te wenden, als we niet al te laat zijn.’ Dat lijkt behoorlijk overeen te stemmen met de opvatting van Doeland. Maar Extinction vervolgt: ‘Wat we de komende paar jaar doen bepaalt de toekomst van het leven op Aarde’. Is het idee dat ‘wij’ nu ‘de toekomst’ bepalen niet juist een van die ‘gevaarlijke fantasieën’ die de omloop doen?
Dit voorbeeld is tekenend voor de spanning in dit boek. Al stelt Doeland dat er onomkeerbare catastrofale ontwikkelingen zijn, ze wil niet het verwijt krijgen fatalistisch te zijn. Dat vergt nogal wat uitlegkunst. En dat is niet het sterkste punt van dit boek. Doeland heeft haar tekst doorspekt met verwijzingen naar tientallen denkers, waar haar eigen betoog soms achter schuil dreigt te gaan. Het is speuren naar wat ze zelf vindt. De onpraktische woorden die ze zelf bedenkt, zoals ‘apocalypsofie’ en ‘ecorexia’, helpen daarbij niet.
De geduldige lezer vindt toch genoeg waardevols. Doeland stelt dat ‘we’ de wereld die we kennen moeten loslaten en zo een andere toekomst mogelijk maken. Niet een wereld van groene dromen, maar een toekomst tussen de puinhopen, waarin ‘we’ er het beste van maken. Wie zich richt op concretere, lokale acties kan afkomen van het verlammende idee dat ‘het einde’ nabij is.
Die concrete actie is in ieder geval niet het streven naar een ‘circulaire economie,’ zoals bekend een doel van het Nederlandse kabinet. Geen enkele kringloop is volmaakt rond, zegt Doeland terecht. Ook het compenseren van bijvoorbeeld CO2-uitstoot is voortgaan op de bekende, heilloze weg.
Die weg is tot dusver vooral kapitalistisch. Doeland zegt het lastig te vinden het woord ‘kapitalisme’ te gebruiken, maar doet het toch tientallen malen. Ze heeft er beeldende beschrijvingen van zoals: ‘Kapitalisme is een machine die mensen, dieren en dingen opeet en vervolgens dumpt.’ Die economische systeem is volgens haar een van de belangrijkste drijvende krachten van de vernietiging van de wereld. Een goede tweede is het vooruitgangsdenken, dat tot uiting komt in het ‘wreed optimisme’ waardoor mensen denken dat het toch nog goed komt.
In plaats daarvan beveelt ze aan om te leren uitsterven, niet slechts te leren sterven, zoals klassieke filosofen betogen. Regelmatig verwijst ze naar de zesde uitstervingsgolf. Of de mens op korte termijn wordt bedreigd, is onduidelijk. De ene keer wordt die een ‘veerkrachtige soort’ genoemd, de andere keer noemt ze de kans groot dat ook de mens ‘eraan zal moeten geloven’. Hoe dat uitsterven gaat verlopen, wordt ook niet uit de doeken gedaan. Doeland schrijft vooral over ecologie, andere zogeheten global catastrophic risks zoals kernwapens en kunstmatige intelligentie komen niet of amper ter sprake. Maar misschien is de verwarring over het lot van de mens niet vreemd, want het gaat over de onbekende toekomst. En uitsterven is misschien meer een omschrijving van de huidige toestand dan een keiharde voorspelling.
Doeland pakt grote, existentiële kwesties, die vele mensen bezig houden, bij de kop. Hoe valt om te gaan met uitstervingsgolven, klimaatverandering, vervuiling? Ze zoekt de antwoorden niet in technologie, ideologie of een simpele verandering van levensstijl maar vooral in een andere manier van leven en denken, een andere houding. Verwacht geen simpele of geruststellende antwoorden, wel een grondige analyse. Doeland biedt een welkom tegengeluid tegen te rooskleurige voorstellingen van zaken, en verrassenderwijs ook tegen te sombere verwachtingen. Ja, er gaat veel verloren, maar er valt ook nog iets te redden.
The post Apocalypsofie – Lisa Doeland appeared first on Boekenstrijd.
]]>The post Het Derde Rijk door Duitse ogen appeared first on Boekenstrijd.
]]>
Dagboeken zijn voor de Tweede Wereldoorlog een van de belangrijkste bronnen. De vaak persoonlijke invalshoek van de schrijvers, gecombineerd met het concept waarbij steeds een dag of een paar dagen verstrijken, en de volstrekte authenticiteit maken inleving voor de lezer makkelijk. Denk aan het dagboek van Philip Mechanicus of dat van Etty Hillesum. En uiteraard Anne Frank.
Anderen schreven noodgedwongen of uit keus hun ervaringen later op. Dat kan een gepolijster verhaal opleveren, maar ook meer reflectie.
Twee recente boeken tonen de kracht van deze verschillende stijlvormen en laten zien hoe het Derde Rijk door twee Duitsers werd beleefd.
Het dagboek heeft de titel Vreemdeling in eigen land meegekregen. Het is het verslag van Anna Haag, een schrijver, vrouw en moeder die tegen het regime gekant is. Ze luistert stiekem naar de BBC, maakt soms ‘gevaarlijke’ opmerkingen en grapjes. In sommige fragmenten schrijft ze ‘aan’ haar kinderen die in het buitenland verblijven, in andere stukken richt ze zich als het ware tot de presentatoren van de Britse radio. Ze beschrijft het dagelijks leven en geeft weer wat de apotheker en zijn vrouw allemaal beweren. Zij zijn hartstochtelijke nazi’s, die steeds weten te vertellen dat de Duitse legers binnenkort de overwinning zullen behalen door een of ander superwapen.
Haag is voortdurend bang om verraden te worden en leefde in een angst die wel een beetje te vergelijken is met die van tegenstanders van het regime in bezette gebieden. Ze haalt regelmatig be
richten aan over de gevangenneming of executie van mensen die op een of andere manier landverraad hebben gepleegd. Onschuldig lijkende opmerkingen kunnen fataal zijn. Zelf verborg ze het dagboek iedere avond in het kolenhok.
Anna Haag schrijft emotioneel, bevlogen, maar ook wel cynisch. En ze observeert scherp, bijvoorbeeld een groep Duitse soldaten die graag even de hand van een jong jochie vasthouden, of hem over zijn bol aaien.
Andere keren fantaseert ze over hoe het naoorlogse Duitsland eruit moet zien en heeft ze het over de ‘genezing’ van het Duitse volk, waar ze, zoals ze zich had voorgenomen, aan bijgedragen heeft.

Net als Haag was de veel jongere Horst Krüger een tegenstander van het regime. De memoires van zijn jeugd in het Derde Rijk, die voor het eerst in de jaren zestig verschenen, zijn ijzingwekkend rauw. Hij beschrijft het a-politieke klimaat van de wijk Eichkamp in Berlijn waar zijn standsbewuste ouders woonden. Ze waren geen nazi’s, maar van het soort welwillende en instemmende burgers waar het regime ook op bouwt.
Krüger heeft er geen chronologische autobiografie van gemaakt, de verschillende hoofdstukken gaan over een aantal episodes uit zijn leven, deels lang na de oorlog. Hij gaat als toeschouwer naar het destijds bekende Auschwitz-proces in Frankfurt in de jaren zestig, niet lang na het Eichmann-proces in Israël. Hij filosofeert daar niet zo over als Hannah Arendt en Harry Mulisch deden, maar betrekt de ervaring meer op zichzelf.
In de jaren dertig had hij een vriend die iets met het verzet van doen had. Ook Krüger wordt opgepakt, maar niet veroordeeld. Hij gaat het leger in, maar daar schrijft hij niet veel over. Alleen over het allerlaatste deel van de oorlog schrijft hij, als hij deserteert en naar de Amerikanen overloopt. Hij wordt krijgsgevangene en ervaart de vrijheid van het gevangen zijn.
De verhalen van Krüger grepen me door hun eerlijkheid, directheid en de fraaie vertelstijl. Het is een sombere zwart-witfilm, die soms iets noodlottigs heeft.
Deze twee boeken, die vlak na elkaar in het Nederlands verschenen, bieden een prachtige kans om ook de Duitse ‘goede’ kant van de oorlog op een directe en persoonlijke manier te ervaren.
The post Het Derde Rijk door Duitse ogen appeared first on Boekenstrijd.
]]>The post Houtfabriek – Simon Klingen appeared first on Boekenstrijd.
]]>
De eik is de koning van het bos. Kappen van bomen is slecht. En klimop moet je van de stam van een boom weghalen, anders wordt die gewurgd.Een aantal misverstanden gaat over de biologische en ecologische eigenschappen van bomen en bossen. Zo legt Klingen uit dat dikke bomen niet per se oude bomen zijn en dat klimop voor een boom niet schadelijk is. Gewoon laten zitten, dus. Goed dat hij dat zegt, want sommige bosbeheerders halen die klimop rigoureus weg. Ook legt hij duidelijk uit dat de eik niet de dominante boom in de Nederlandse bossen is. Dat is de beuk, die de strijd met de eik om het licht wint. Dat leidt uiteindelijk tot de zogeheten ‘verbeuking’, want de beuk duldt weinig rivalen in zijn buurt.
Een andere misvatting is te denken dat alle organismen in het bos prettig samenwerken. Nee, het is (ook) een gevecht om voedingsstoffen, water en vooral licht. Wie het eerst boven, wint. Hiermee zet hij zich af tegen de misschien soms wat te idyllische voorstelling van het bos als een harmonische gemeenschap door schrijvers als Suzanne Simard en de Duitse boswachter Peter Wohlleben.
Nog een foute constatering: er is steeds minder bos in ons land. Dat klopt niet, zegt Klingen terecht. Het bosareaal groeit, zij het heel langzaam. Maar Nederland is nog steeds een van de minst beboste landen van Europa.
Een ander deel van de denkfouten gaat over de menselijke omgang met het bos. Dat is nog meer omstreden terrein. Moeten we bossen met rust laten of kunnen die ook gebruikt worden om hout te oogsten?
Klingen deinst niet terug voor duidelijke stellingnames. Dat blijkt uit al de titel van zijn boek. Keer op keer herhaalt hij zijn stelling dat een bos een ‘houtfabriek’ is, een ecosysteem dat hout produceert. En dat hout kunnen we eruit halen, voor menselijk gebruik, zonder dat het bos eronder lijdt. Kappen van bomen in Nederland achterwege laten vindt hij hypocriet, omdat mensen graag hout gebruiken en dat anders van elders moet komen. Wel vermeldt hij dat de inheemse bijdrage aan de houtconsumptie gering is.
Toch is kappen en weghalen van bomen uiteraard van invloed op het ecosysteem. Het is voor het bos niet nodig, het redt zich prima zonder ingrepen, schrijft Klingen ook. Dood hout verwijderen gebeurt al veel minder dan enkele decennia geleden. Het is dus duidelijk een keuze om bossen te gebruiken als productiemiddel. Het is nodig om bepaalde menselijke behoeften te bevredigen, niet omdat de bomen het zo graag willen of het bos het nodig heeft.
De praktijk is dat veel Nederlandse bossen veel verschillende doeleinden moeten dienen: recreatie, natuur, productie. Maar kappen stuit op verzet van omwonenden en natuurliefhebbers. Een groot deel van dit boek lijkt erop gericht om die weerstand weg te nemen. En Klingen heeft gelijk dat het bos blijft bestaan en verjongt, als er bomen worden weggehaald.
Toch is de term ‘houtfabriek’ wel erg gericht op het nut voor de mensen. Een zee is toch ook geen ‘visfabriek’? Een koe geen ‘melkfabriek’? Zo’n woord suggereert dat we onbeperkt gebruik kunnen maken van de opbrengst van natuurlijke systemen en levende wezens, want die blijven toch wel produceren. Maar de mondiale druk op de bossen is zeer groot, of het nu voor verwarming, papier, , bouw of biomassa is, de moderne vorm van brandhout.
Volgens onderzoek van het Wereld Natuur Fonds wordt er nu wereldwijd al meer hout gebruikt dan er duurzaam aangroeit. Ook de al genoemde boswachter en schrijver Peter Wohlleben is tegen het kappen van bomen. Hij pleit er juist voor het gebruik van hout te beperken, ook om de opslag van CO2 in bomen te verlengen. Want, ja, daarvoor moeten bomen lang groeien.
Een al te groot vertrouwen dat het gebruik van hout leidt tot opslag van CO2 is misschien wel misplaatst. Ja, als je hout verwerkt in een gebouw, blijft de daarin opgeslagen koolstof buiten de atmosfeer. Maar veel hout heeft maar een korte levensduur. En bij iedere kap heb je te maken met het verlies van een groot deel van de boom: de wortels, takken en dergelijke die op zijn best in een biomassacentrale terecht komen.
Klingen wil misverstanden wegnemen, en voor een deel slaagt hij daarin. Door de vorm en stijl is het een toegankelijk en overzichtelijk boekje geworden. Maar als het stijlmiddel van de correctie van foutieve opvattingen wordt gebruikt om zelf stelling te nemen in soms verhitte discussies is dat een iets te simpele manier van redeneren. Dat is jammer, want zo worden belangrijke onderwerp niet volledig recht gedaan. Voor meer nuance kunnen mensen bijvoorbeeld bij dit boek terecht.
The post Houtfabriek – Simon Klingen appeared first on Boekenstrijd.
]]>The post De heilige natuur – Karen Armstrong appeared first on Boekenstrijd.
]]>
Karen Armstrong is bekend als schrijver van dikke boeken over religie. Haar boek over de ‘heilige natuur’ is aangenaam beknopt. Wel bevat het een soortgelijke stortvloed aan gegevens en citaten uit allerlei werken. En een grote ambitie: we (de westerse lezer vooral) moeten anders gaan denken over de natuur. Die moeten we ‘heilig’ verklaren, en niet meer zien als gebruiksvoorwerp.
In dit boek behandelt ze aan de hand van een aantal thema’s de omgang van religies en levensbeschouwingen met de natuur. Dat uiteraard vanuit het idee dat er iets stevig mis aan het gaan is door de schade die mensen aanrichten aan hun omgeving. Religie kan helpen om deze verhouding te herstellen en anders te gaan handelen en denken. Armstrong geeft daar in dit boek praktische tips voor, en gebruikt hiervoor teksten uit de periode van 900 tot 200 voor de christelijke jaartelling. In die tijd ontstonden confucianisme, taoïsme, hindoeïsme, boeddhisme, monotheïsme en rationalisme.
Eén les komt daarin steeds terug: het goddelijke, God, staat niet buiten de natuur maar is daar deel van. Er is een kracht, een ‘zijn’, dat met allerlei termen aangeduid kan worden, dat in al het levende en niet-levende om ons heen zit. Bijna ieder van de genoemde religies zag de heiligheid van de natuur. Maar de monotheïstische godsdiensten waren de uitzondering. In Genesis gaf God de mensen al de heerschappij over de natuur. Laat nu aanhangers van die religie een enorme invloed hebben uitgeoefend.
Bij de monotheïsten was het God die de wereld schiep, als een buitenstaander. Voor de mensen die dit godsbeeld van een ‘eenzame’ schepper hebben, heeft Armstrong een ingrijpend advies: Zie Hem niet als een heerser in de hemel, maar als een ‘onuitsprekelijke maar dynamische aanwezigheid die door alle dingen stroomt’. God moet uit de hemel komen en in de natuur herkend worden. Om dat te leren, beveelt ze aan om elke dag tien minuten stil te zitten in een tuin of park. Een andere tip is: zwijgen en niet overal woorden voor zoeken.
Ook bij een andere religieus gebruik sluit ze aan: offers brengen, een symbool van radicale verandering. En zo zijn er nog een aantal heel praktische tips en teksten. Zoals het gedicht van Franciscus van Assisi: ‘Wees geprezen, mijn Heer, in zuster Maan en de sterren (..) in broeder Water (..) zuster Water, (..) in zuster Dood’. Het deed me denken aan het gebed voor de natuur dat de seculiere schrijver Andri Snaer Magnason opnam in zijn boek Over tijd en water: Onze Moeder/Gij zijt de Aarde/Geheiligd zij uw water/Ik maak deel uit van Uw rijk.
Maar hoe ver kan je gaan in het heilig verklaren van de natuur? Armstrong vertelt over een Chinese wijze die weigerde het gras te maaien, omdat ‘de gevoelens van het gras’ en de zijne ‘dezelfde’ waren. Niet zo radicaal, maar toch wel met een zekere instemming, volgt Armstrong deze lijn. Mensen moeten mee voelen met andere levende wezens. Dat haakt uiteraard aan bij het thema compassie dat Armstrong in een pamflet naar voor heeft gebracht.
Geweldloosheid hoort daarbij. De jaïnisten in India gingen hierin het verst. Ze waren ervan overtuigd dat er een ‘levenskracht’ in alles huisde. Ze mochten daarom niet graven, vuur maken, of bezittingen hebben. Een keizer die hierdoor beïnvloed was, vaardigde wetten uit ter bescherming van muizen, slangen, paarden en vissen.
Armstrong gaat niet zover. Sterker nog: de ogenschijnlijk haalbare, effectieve en logische consequentie van compassie en geweldloosheid – stoppen met vlees eten – trekt ze niet.
Aan het eind wordt Heilige natuur wel erg prekerig. Armstrong wil voor de lezer bepalen hoe die zich op dat moment voelt: droever en wijzer, maar ook ‘vastbesloten’ om een ander pad in te slaan. Misschien is dat een wat te groot geloof in de kracht van tekst.
Er zijn nog wat kanttekeningen te plaatsen bij dit boek. Het roept de vraag of Armstrong de natuur wil redden door middel van religie of de religie wil redden door middel van de natuur. De eerste redenering is dat als mensen anders met de natuur willen of misschien wel moeten omgaan (wat noodzakelijk is vanwege de huidige crisis) dat ze er anders over moeten gaan denken, en daarbij religieuze inzichten kunnen gebruiken. De andere redenering is dat we, omdat de natuur in crisis verkeert, we de kracht van religie herontdekken. Herstel de (ware interpretatie van) religie in ere, en de natuur zal ervan profiteren. Armstrong zal zeggen dat het een niet zonder het ander kan.
Sommige redeneringen zijn niet overtuigend. Dat ‘het menselijk leven zoals we dat kennen onmogelijk’ wordt als de temperatuur meer dan 1,5 graad stijgt, lijkt overtrokken. Het ligt er dan vooral aan hoeveel meer die stijgt. En dat niet-moslims de Koran niet kunnen begrijpen omdat ze het Arabisch niet beheersen, lijkt een wat makkelijke uitleg. Er zijn overigens miljoenen moslims die geen Arabisch spreken. Dat in de islam de natuur wordt vereerd, is een interpretatie die vragen oproept met de huidige praktijk en ook niet altijd door de citaten ondersteund lijkt te worden. Zo zijn er meer stukken waarin de uitleg van Armstrong van oude teksten origineel is, maar niet heel geloofwaardig.
De grote kracht van haar werk zit in het aanboren van al die bronnen uit meerdere religies, die wel degelijk wijzen op een andere verhouding met de natuur dan de utilitaire en uitbuitende manier die de boventoon is gaan voeren in de hele wereld. Heel vaak wordt in dergelijke betogen een beroep gedaan op de inzichten van de oorspronkelijke bewoners van de nog min of ongerepte gebieden van de wereld. De opvattingen uit de ‘oude’ religies komen voor delen daarmee overeen.
Armstrong vraagt aandacht voor een andere mentaliteit in onze omgang met de natuur. Dat is essentieel, maar gaat tien minuten stil zitten op een bankje echt helpen? Armstrong blijft over het algemeen ver weg van de harde keuzes en de politieke en de economische werkelijkheid, al stelt ze dat ‘offers’ nodig zijn. Dit boek is inspirerend, maar de boodschap is niet zaligmakend.
The post De heilige natuur – Karen Armstrong appeared first on Boekenstrijd.
]]>The post Etty Hillesum. Het verhaal van haar leven – Judith Koelemeijer appeared first on Boekenstrijd.
]]>
Toen ik jaren geleden een bundel ooggetuigenverslagen van de Tweede Wereldoorlog samenstelde, had ik een vaag idee wie Etty Hillesum was. Een zweverig type, iemand die niet in politiek geïnteresseerd was, maar in het innerlijk leven. Toch ging ik haar dagboek over de Tweede Wereldoorlog lezen, want misschien zou het een mooi fragment opleveren.
Dat fragment had ik snel gevonden. Het ging over een bezoek aan de Gestapo. Ze beschreef dat ze niet bang was voor de SS’er die haar toesnauwde. Ze wilde hem begrijpen, niet veroordelen of haten. Ik was verrast door haar manier van schrijven en moest mijn oordeel enigszins bij stellen. Ja, het was wat zweverig, en misschien wel naïef, maar ook heel persoonlijk en zeer aansprekend. En het was anders, het opende een perspectief op de oorlog dat zeer weinig dagboekschrijvers uit die tijd boden.
Tegelijk bleef Hillesum, Etty, een raadsel. Hoe kon een intelligente, belezen jonge vrouw, bovendien met allerlei connecties in linkse kringen, zo’n houding aannemen waarin ze verzet afwees en haar lot aanvaardde? Dat is een belangrijke vraag in de biografie die Judith Koelemeijer over haar schreef. ‘Hoe kon Etty voor de dood kiezen, terwijl haar het leven werd aangeboden?’, zo wordt het voorin haar boek geformuleerd. (Disclaimer bij deze recensie: in de jaren negentig namen Judith en ik deel aan dezelfde opleiding voor journalisten.)
Etty was in 1941 in de ban geraakt van Julius Spier, ‘psychochriroloog’, handlezer. Hij werd haar geestelijk leidsman, ze rolden worstelend over de grond als onderdeel van de therapie, en later werd hij haar minnaar. Ze had toen ook een andere minnaar, eveneens een oudere man, ‘pa Han’, waar bij ze in huis woonde vlakbij het Museumplein in Amsterdam. Mogelijk was er zelfs een derde geliefde in dezelfde periode, schrijft Koelemeijer, die uitgebreid onderzoek deed en allerlei interessant materiaal opdook. Maar dat blijft duister. Ze hield er, zeker voor die tijd, een vrijgevochten seksuele moraal op na. Seks was voor haar regelmatig de bezegeling van vriendschap.
Hoe ze al haar amoureuze verhoudingen met elkaar wist te rijmen en hoe ver ze met wie zou gaan, is een van de andere belangrijke vragen die je als lezer bezig houdt. En dat vanaf de eerste pagina, Koelemeijer begint heel slim haar boek met de eerste ontmoeting tussen Spier en Etty, die de toen 27-jarige als een wedergeboorte had ervaren.
Etty was niet naïef, ze was in ieder geval bewust van het gevaar dat dreigde in de oorlog. Ze had in de jaren dertig banden met antifascistische groeperingen, hoewel ze daar niet een erg actieve rol in had. Ze zag later, vanuit het raam van haar kamertje, de Reichsführer SS, Heinrich Himmler, paraderen op het Museumplein. Niemand wist precies wat ‘het lot’ zou zijn van de Joden die naar het oosten werden afgevoerd. Maar Etty was vastbesloten dat lot te delen.
Toen ze werd opgeroepen voor ‘Arbeidsdienst’, besloot ze echter op het laatste moment te solliciteren naar een baantje als medewerker van de Joodse Raad. Dat zou op zijn minst uitstel kunnen opleveren. Die Joodse Raad, het verbindingsorgaan tussen de vervolger en de Joodse gemeenschap, speelt in het laatste deel van het boek een belangrijke rol. Het is misschien jammer dat Koelemeijer geen gebruik heeft kunnen maken van recente literatuur daarover. Dat had wellicht tot meer nuance kunnen leiden. Ze leunt voor haar harde oordeel vooral op de werken van Presser en De Jong.
Etty ging vrijwillig naar Westerbork, als medewerker van die Raad. Ze probeerde daar mensen te helpen, al was het maar door een luisterend oor te bieden. Na een paar weken keerde ze terug naar Amsterdam, ziek en aangeslagen. Maar ze veranderde niet van mening. Vrienden probeerden haar bijna met geweld tot onderduiken te dwingen, maar ze bleef bij haar besluit.
Deze biografie laat je op die momenten echt meeleven. Soms denk je tijdens het lezen: t***, waarom ben je zo koppig? En op een ander moment denk je bijna bewonderend: ja, dat is ook een manier om er tegen aan te kijken.
Zoals Etty in Westerbork zei tegen een lotgenoot: ‘De gebieden van ziel en geest zijn zo groot en oneindig, dat een beetje lichamelijk ongemak en lijden er toch eigenlijk niet zoveel toe doet, ik heb niet het gevoel, dat ik van m’n vrijheid beroofd ben en in wezen kan toch eigenlijk niemand me kwaad doen’. Haar geloof in God was sterker dan de overredingskracht van haar vrienden.
Ik vroeg me af in hoeverre Etty’s houding uniek was. Koelemeijer schrijft over haar vader, die stoïcijns reageerde op alle maatregelen en ook niet aan onderduiken moest denken. Het fenomeen van ‘vergeestelijking’ kan wel eens breder zijn geweest. Die houding kwam ik in andere dagboeken wel tegen, als een fenomeen waarbij mensen in reactie op de extreme omstandigheden steeds meer in hun innerlijke wereld gingen leven en volgens anderen zich daardoor afsloten van de realiteit. Etty deed er in haar dagboek en brieven op een unieke manier verslag van.
Lees ook: Twee boeken over verraad
Etty ging na een verblijf in Amsterdam terug naar Westerbork, schreef over het kamp uitvoerige brieven, onder andere over het verloop van een transport. Ook haar ouders en een van haar broers kwamen uiteindelijk daar in de barakken op de Drentse hei terecht en later in zo’n transport, naar Auschwitz. Ze overleefden niet.
Koelemeijer sluit af met het verhaal over hoe het dagboek van Etty uiteindelijk, in 1981, toch werd uitgegeven. De presentatie van het boek werd een reünie van haar inmiddels oud geworden vrienden. Op de daarna ontstane reputatie van Etty, haar ‘heiligverklaring’ en de soms zeer kritische ontvangst van het boek, gaat ze helaas niet meer in.
Deze biografie portretteert Etty niet als heilige. Maar zeker ook niet als dwaallicht. Uiteraard toont de biograaf sympathie voor haar, maar ze loopt er niet mee weg. Weten we aan het eind van het boek het antwoord op de vraag die ze in het begin stelt over de keuze tussen leven en dood, tussen aanvaarding en verzet? Laat ik zeggen dat je als lezer heel veel hebt meegekregen om Etty’s houding beter te plaatsen.
Je merkt dat er heel veel werk in deze biografie is gestoken. Vanaf die eerste ontmoeting tussen Etty en Spier word je gegrepen door deze intrigerende hoofdpersoon die een bewogen leven leidde in de meest dramatische periode van onze geschiedenis. Met de trefzekere pen van Koelemeijer heeft dat een schitterend boek opgeleverd.
The post Etty Hillesum. Het verhaal van haar leven – Judith Koelemeijer appeared first on Boekenstrijd.
]]>The post A Trillion Trees – Fred Pearce appeared first on Boekenstrijd.
]]>
Bossen aanplanten is lang niet altijd zinvol. Bomen kunnen soms klimaatproblemen groter maken. Het is niet erg als landbouwers af en toe een stuk bos platgooien. Ongerept bos bestaat bijna niet meer.
Dat zijn maar een paar van de heilige huisjes die wetenschapsjournalist Fred Pearce omver kegelt in zijn boek A trillion trees. Hij onderzoekt de geheimen van het bos, maar vooral ook de ideeën en mythes die daarover de laatste decennia of zelfs eeuwen zijn gevormd. Voor de beantwoording van al zijn vragen reist hij over de hele wereldbol en spreekt hij met vele wetenschappers. Vooral diegenen met wat controversiële opvattingen lijken zijn waardering te hebben.
Pearce heeft zowel positieve als negatieve boodschappen. Negatief is dat de ontbossing heel veel schade heeft aangericht en op bepaalde plekken nog steeds doorgaat. Positief is dat op andere plekken herbebossing al gaande is en dat het belang van bossen en bomen doorgedrongen is in allerlei kringen.
In het eerste deel van het boek beschrijft Pearce vooral het nut en de functie van de bomen. Bomen hebben in feite het klimaat geschapen waarin zijzelf (en vele andere soorten) kunnen overleven. Door de groei van bomen is het percentage co2 in de lucht gedaald en daarmee ook de temperatuur. Bomen bevatten nu net zoveel koolstof als de mensheid heeft uitgestoten.
Over de huidige rol van bomen bij de opname van co2 en al het geld dat daarin omgaat stelt Pearce kritische vragen. Het gaat dan met name over de tijd dat ze kunnen staan en ook of subsidie voor planten of behoud wel goed terecht komt. Dat bomen co2 opslaan betekent niet altijd meer bomen verkoeling brengen. In het noordelijk gebied kunnen bomen zorgen voor opwarming, omdat ze minder zonlicht weerkaatsen dan de sneeuw die ze vervangen. Dit albedo-effect kan ook in woestijnen optreden. Op sommige plekken is gras beter dan bos. Maar in het algemeen kan het effect positief zijn, stelt Pearce.
Misschien nog wel belangrijker dan de opname van co2 is dat bossen de regenval bevorderen, ze creëren ‘vliegende rivieren’ die het vocht van de oceanen verder de continenten intrekken. Als bossen verdwijnen, verschijnen woestijnen, maar niet per se op de plek waar het bos heeft gestaan.
Er zijn nog drie biljoen (1012) bomen. Evenveel bomen zijn door ontbossing verdwenen. Maar ook in de overgebleven bossen zijn de sporen van mensen te vinden. Ongerept bos bestaat eigenlijk amper. De Amazone was eigenlijk een grote tuin, stelt Pearce met enige overdrijving.
Ontbossing gaat her en der door. Er zijn nog steeds grote risico’s voor ecosystemen zoals die Amazone. Maar over het algemeen gaat het niet zo slecht. China zou bijvoorbeeld de handel in illegaal gekapt hout verbieden.
Een probleem is dat er niet heel eenvoudig een eenduidig beeld te schetsen is van ontbossing en herbebossing. Er zijn twee manieren waarop die wordt geregistreerd, waar aanzienlijke verschillen tussen zitten. De meest pessimistische inschattingen kunnen er wel eens naast zitten, denkt Pearce. Ook is de waardering van uiteenlopende types bos nogal verschillend. Is een bos dat aan het herstellen net zo waardevol als een oorspronkelijk bos? Telt een plantage ook mee? Pearce kiest, bijna steeds, voor de pragmatische visie.
Er is ook weer nieuwe honger naar hout, nu naar houtsnippers. De Drax-biomassacentrale in het Verenigd Koninkrijk is de grootste ter wereld, met een uitstoot die gelijk staat aan die van 124 landen (een van de vele vergelijkingen in het boek, die niet altijd verhelderen.) De bewering is dat de productie en verbranding van hout koolstofneutraal is, omdat de nieuwe bomen de koolstof van de verbrande bomen weer opnemen. Maar voor Pearce zijn de monotone bossen die daarvoor aangeplant worden ‘een nachtmerrie’. De landbouw en vooral de veeteelt is nog zo’n bedreiging.

Bomen planten werd een hype. In 2011 was er al de Bonn Challenge, het plan van een reeks landen om in 2020 150 miljoen hectare en in 2030 350 miljoen hectare ontbost en verwaarloosd land te herbebossen. Een andere, vaker uitgesproken, ambitie is om 1 biljoen bomen extra te laten groeien, zeg ergens in deze eeuw. Pearce is daar voorstander van, maar wel met belangrijke kanttekeningen.
Want het is niet verstandig zo snel mogelijk overal zoveel mogelijk bomen aan te planten. Hij brengt tal van herbossingsprojecten in kaart, van Schotland tot China. Over sommige is hij uitgesproken positief, over andere kritisch. Met name de grootschalige, van bovenaf opgelegde projecten, zoals de Great Green Wall lijken te falen. Bossen moeten gedragen worden door gemeenschappen. Dat kunnen bewoners van de Highlands zijn, die samen grond kopen. Of dorpsbewoners in Ghana die erachter komen dat er onder bomen prima andere gewassen te verbouwen zijn. Costa Rica is ook een goed voorbeeld van het succes van herbebossing. Die bossen, nu een trekpleister voor ecotoerisme, zijn in de plaats gekomen van weilanden voor veeteelt.
Pearce benadrukt dat de beste optie vaak is om de natuur haar gang te laten gangen. Plantactiviteiten zijn vaak een beetje verspilde moeite. In een paar jaar of paar decennia groeien de bomen vanzelf. (In zijn boek De lange adem van bomen zegt de Duitse boswachter Peter Wohlleben iets soortgelijks.) Bomen groeien veel sneller terug dan vaak gedacht. Op veel plekken verschijnen bomen als je niets doet, wat veel mensen met een tuin zullen weten. In een van van mijn vorige huizen groeiden de esdoorns zelfs tussen de tegels van het terras.
Aan de andere kant stelt Pearce steeds dat de bewoners van bossen de beste hoeders van de bossen zijn. Ook voedselbossen kunnen helpen, in allerlei vormen. Zelfs de praktijk waarbij landbouwers stukken bos kappen, een tijd bewerken en dan verder gaan, vindt genade in zijn ogen.
De natuur haar gang laten gaan of de bosbewoners laten bepalen wat er gebeurt, dat lijkt een beetje met elkaar in strijd. Misschien is het gewoon zo dat op de ene plek het ene het best werkt, en op andere plekken het andere.
Dit nuttige boek van Pearce heeft soms bijna iets van een naslagwerk, zoveel feiten en onderzoeken staan erin. Maar het is geschreven als een journalistiek verslag, met een heel breed bereik. Zelfs de Nederlandse Oostvaardersplassen worden even genoemd. Die vorm maakt het ook wel minder overzichtelijk. Soms duizelt het de lezer als er weer een ander gebied wordt bezocht.
De boodschap van Pearce is duidelijk en urgent. Laat de bomen het meeste werk doen en vergeet de mensen niet als je aan bossen denkt.
The post A Trillion Trees – Fred Pearce appeared first on Boekenstrijd.
]]>The post Denkers en dwalers – Een geschiedenis van de filosofie in de Lage Landen – Erno Eskens appeared first on Boekenstrijd.
]]>
Filosofie in de Lage Landen: dat is natuurlijk Spinoza. En dan? Kende deze streken buiten hem grote denkers, afgezien van enkele passanten? Misschien wel niet, maar dat heeft filosoof Erno Eskens er niet van weerhouden een levendige geschiedenis te schrijven van de denkers en dwalers die zich door de eeuwen op dit grondgebied hebben opgehouden.
Dat heeft hij gedaan door zijn bereik op verschillende manieren te vergroten. Niet alleen door ruimhartig ook ‘dwalers’ te beschrijven. Wie bij welke groep hoort, laat Eskens wijselijk aan de lezer over, al zijn zijn voorkeuren soms duidelijk.
Daarnaast heeft iedere denker die een tijdje hier verbleef daarmee een plekje in het boek verdiend. Denk aan Karl Marx die in Zaltbommel zat, de anarchist Proudhon die een tijdje in Brussel woonde, Descartes en Locke die naar de Republiek kwamen om van de relatieve vrijheid te profiteren, en aan Jean-Paul Sartre die een dagje in Amsterdam was om daar een niet te volgen betoog te houden.
Eskens heeft ook heel nadrukkelijk vrouwelijke denkers gezocht en gevonden, van Anne-Maria van Schurman (1607-1678), via onder anderen Jeanne Wyttenbach-Gallien (1773-1780), die liever in het oude Athene had gewoond tot Else Barth (1928-2015). Ook besteedt hij aandacht aan mensen uit de Nederlandse koloniën als Anton de Kom, Soetan Sjahrir en Tan Malakka. Er geldt bij de selectie ook een beperking: Eskens bespreekt bijna alleen dode denkers.
Ook op andere manieren heeft Eskens deze geschiedenis breed opgevat. Niet alleen filosofen komen er in voor, maar ook mensen die eerder als historici, politici of schrijvers worden herkend. Maar ja, wie is een filosoof? Het denken is niet aan opgeleide filosofen voorbehouden, het dwalen evenmin. We zijn allemaal een beetje filosoof, schrijft Eskens.
Ook in de thema’s is het boek breed. Een aantal klassieke filosofische kwesties is goed vertegenwoordigd, waarbij de verhouding van God, natuur en mens eeuwenlang een dominant thema was. Eskens legt ook andere accenten. Emancipatie is een van de rode lijnen in het boek. Regelmatig komen de thema’s van vrouwenrechten en dierenrechten terug. Dat laatste is zeker niet verwonderlijk, gezien het eigen werk van Eskens op dat gebied.
Een andere rode draad is dat denken, of beter het publieke innemen van theologische, filosofische of politieke standpunten, niet zonder gevaar is. De Germaanse heerser Radbod (gestorven in 719) krijgt met Frankische legers te maken als hij zich, op grond van zijn overtuigingen, niet wil laten bekeren. Ook in de Republiek worden denkers en uitgevers vervolgd of uitgesloten als ze ervan worden beschuldigd ‘ongodist’ te zijn. Ook hier is de intellectuele vrijheid beperkt, al is die groter dan elders. Spinoza houdt een deel van zijn werk binnen kleine kring, nadat een eerder boek was verboden.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog en in de koloniale oorlog in Indonesië vinden heel wat denkers de dood. Anderen worden vanwege hun keuzes in de oorlog gestraft. En een paar decennia later hangt hoogleraar Bernard Delfgauw strafvervolging boven het hoofd omdat hij de Amerikaanse president Johnson een moordenaar noemt. Hij bedenkt daarom de kreet ‘Johnson molenaar’.
Eskens geeft ook veel context over de politieke en maatschappelijke ontwikkelingen. Gecombineerd met zijn luchtige stijl levert dat een zeer toegankelijk boek op. Misschien dat hardcore filosofen het zware denkwerk missen, maar voor hen lijkt dit werk niet in de eerste plaats geschreven. Eerder sluit dit boek goed aan op de trend die Eskens in het laatste hoofdstuk signaleert: dat filosofie niet beperkt hoeft te blijven tot de academische wereld, maar een publieke functie heeft. En dat die niet beperkt is tot oude witte mannen.
The post Denkers en dwalers – Een geschiedenis van de filosofie in de Lage Landen – Erno Eskens appeared first on Boekenstrijd.
]]>