Veertien weken ben ik nu thuis. De bedrijfsarts belt. Hij stelt eerst een paar algemene vragen en wil dan weten of ik kinderen heb. Ik antwoord: ‘Ja, een dochter.’ Of zij nog bij mij woont, wil hij weten, waarop ik zeg dat ze samenwoont en volgend jaar gaat trouwen met haar Ierse man. ‘Nou,’ zegt de arts, ‘het is te hopen dat hij dat blijft, toch?’ ‘Hoezo?’ vraag ik, verbaasd om zo’n rare opmerking. Hij zegt aarzelend: ‘Je zei ‘eerste man’, maar je mag toch hopen dat ze niet nog een keer gaat trouwen?’ Lachend reageer ik: ‘Ik zei niet “éérste man” maar “Iérse man”.’ Hij moet vervolgens net zo hard lachen als ik. Deze luchtigheid doet het laatste restje van mijn spanning wegebben.
Ik vertel hem dat ik al veel gedaan heb om beter te worden, dat ik veel informatie verzameld heb over burn-out, onder meer door te luisteren naar podcasts van een burn-outcoach, dat ik verschillende keren een gesprek heb gehad met de praktijkondersteuner, dat ik dagelijks probeer te mediteren en dat ik er vier sessies bij een haptonoom op heb zitten. ‘Het lukt me als gevolg daarvan steeds beter om mijn grenzen aan te geven,’ zeg ik, ‘om te accepteren dat het nu even niet gaat … en om rust te nemen. Maar bezoekjes aan kantoor hakken er steeds weer enorm in en ik weet niet hoe en wanneer ik weer kan gaan werken. ‘Daar hoef je nu nog niet over na te denken. Je moet eerst helemaal tot rust komen. En je zou baat kunnen hebben bij een traject bij een van onze maatschappelijk werkers,’ zegt hij. Ik geef aan dat ik dat wel zie zitten. Met een: ‘Ik spreek je eind oktober weer en tot die tijd: rustig aan!’ beëindigt de arts het gesprek.
Niet lang daarna ontvang ik aanvullende informatie over het voorgestelde traject. Mijn werkgever heeft die informatie ook ontvangen en heeft al aangegeven bereid te zijn de kosten ervan voor zijn rekening te nemen. Ik spreek met hem af om binnenkort naar kantoor te komen voor overleg. Daar zie ik enorm tegenop: gestreste collega’s, de gigantische werkdruk en het vertrek van iemand uit mijn team zijn factoren die mijn instabiele zenuwstelsel nog verder doen wankelen.
Ik heb me de afgelopen dagen belabberd gevoeld en ben ontzettend gespannen. Waar ik normaal gesproken in de auto naar de radio luister, kan ik nu geen geluid verdragen. In absolute stilte maar met oorverdovende herrie in mijn hoofd leg ik de 15 autokilometers naar kantoor af. Nog voordat ik parkeer, breekt het zweet me uit. Ik probeer mezelf te kalmeren door bewust rustig te ademen; dat helpt genoeg om niet compleet overstuur uit te stappen en naar binnen te wandelen.
‘Hoe gaat het met je?’ wil mijn baas weten. Ik kijk hem aan en zoek naar een goed antwoord. Iets anders dan wat de laatste maanden min of meer standaard is geworden, komt er niet: ‘Het ene moment gaat het beter dan het andere.’ Dat dat enorm vaag klinkt, besef ik ook wel, maar ik vind het lastig uit te leggen aan iemand die nog nooit een burn-out heeft gehad, dat er dagen zijn dat ik me best goed voel, dat ik dan te veel doe en daarna weer volkomen uitgeput ben, niets kan en niets wil. Hij knikt alsof hij het begrijpt en zegt dan dat hij ervan overtuigd is dat ik straks weer in mijn gebruikelijke functie terugkeer. Ik krijg het benauwd bij de gedachte alleen al. De extreme werkdruk, het gebrek aan ondersteuning, het altijd onder spanning staan … ik kan het niet meer en, belangrijker nog, ik wíl het niet meer. Ik deel mijn twijfels met hem, maar hij wuift ze weg met de woorden: ‘Voorlopig hoef je je nergens druk om te maken.’
Weer thuis plof ik, helemaal leeg, op de bank. De woorden van mijn werkgever galmen nog na in mijn hoofd. Hoelang duurt voorlopig? En als voorlopig voorbij is, wil ik me dan nog wel druk maken om álles? Nee! Het is onder meer dat wat me ziekgemaakt heeft. In gedachten zie ik een uitgestrekt meer voor me. Aan de overkant ligt Me-Niet Overal-Druk-Om Maken, een plaats die alleen zwemmend te bereiken is. Ik wil er heel graag heen, maar heb nog niet voldoende energie om het turquoise water over te steken. Nu waad ik nog voorzichtig tot waar ik kan staan en keer ik terug naar de oever zodra de grond onder mijn voeten verdwijnt. Maar er komt een moment waarop voorlopig voorbij is en ik naar de overkant durf te zwemmen, dat weet ik zeker. En die wetenschap is voor nu meer dan genoeg.
]]>Mijn burn-outweken rijgen zich aaneen in een monotoon ritme. Om dat te doorbreken, spreek ik zo nu en dan af met een vriendin, ga ik wekelijks bij mijn moeder op bezoek en lunch ik regelmatig met mijn dochter. Ik geniet van die momenten. De woensdagavond en de weekends zijn gereserveerd voor mijn lief. Hij laat mij de regie voeren en dat voelt als een groot cadeau. Heb ik geen zin om iets te ondernemen dan blijven we thuis. Heb ik wel behoefte aan een uitje, dan springen we bijvoorbeeld op de fiets voor een tochtje in de omgeving.
Van mijn dochter krijg ik het boek ‘Glimmers. Kleine momenten van geluk die je leven transformeren’. Sinds Texel, waar ik voor het eerst in lange tijd zo’n geluksmomentje mocht ervaren, overkomt het me nog maar zelden. Ja, ik kan genieten van de uitbundig bloeiende Kaapse primula op mijn balkon, van goede gesprekken, een fietstochtje of van een lief gebaar. Maar genieten is iets anders dan even volkomen gelukkig zijn. En ik honger naar dat gevoel.
Min of meer per ongeluk ontdek ik zentangle, een tekenmethode die draait om het maken van herhalende, gestructureerde patronen (tangles). Eerst oefen ik wat op kladpapier en daarna ga ik over op een vierkant tekenboekje. Ik volg een paar lesjes op internet. De docente (die zichzelf ‘certified zentangle master’ noemt, een ‘titel’ die mij doet gniffelen) herhaalt steeds dat je rustig in en uit moet ademen, dat het proces telt en niet het resultaat. Terwijl ik zit te tekenen, luister ik soms naar een podcastaflevering van een burn-outcoach, soms naar rustgevende pianomuziek, maar meestal alleen naar de stilte. En ach, wat word ik rustig van dat lijntjes trekken. De pagina’s vullen zich met tekeningetjes, de ene beter gelukt dan de andere. En terwijl het boekje steeds voller raakt, constateer ik dat de combinatie van concentratie en plezier voor mij helend werkt.
Op een zondagmiddag zit Gert sport te kijken en leg ik de laatste hand aan een bladzijde vol glimmende steentjes. Hier nog een beetje schaduw, daar nog een beetje wit. Ik laat hem het resultaat zien. ‘Mooi,’ zegt hij, ‘maar ongelofelijk dat je daar zo lang mee zoet kunt zijn.’ Ik antwoord dat mij dat ook verbaast. ‘Kennelijk beschik ik opeens ook over meer geduld dan vroeger.’ Terwijl ik nog eens goedkeurend naar het tekeningetje kijk, Gert naast mij, zijn hand op mijn rug, overspoelt me opeens iets wat verdacht veel lijkt op een geluksgevoel. Ik ben bijna verbaasd dat deze ‘glimmer’ zich aandient en hoop tegelijkertijd dat er nog veel meer mogen volgen.
]]>Het ‘gewone’ leven is weer begonnen. De vakantie is voorbij, ik ben weer alleen en voel me al een paar dagen stuurloos, futloos, moedeloos. Het lijkt alsof de Eifel al mijn energie heeft opgebruikt. Ik ben moe en verdrietig. Huilen kan ik om niks en om alles. Dat ik me zo veel slechter voel dan een paar weken geleden heeft daar waarschijnlijk veel mee te maken.
Vanavond is de laatste zangles voor de zomervakantie. Veel zin in zingen heb ik nog niet, maar ik heb de behoefte om Kees, mijn zangdocente, en de andere twee zangeressen te zien – we kwamen in maart voor het laatst bij elkaar. Ik rijd naar Elst, de liedjes die ik had moeten instuderen op de autoradio. Mijn stem kraakt, hapert bij de wat hogere tonen en dan besluit ik mijn pogingen te staken. Waarschijnlijk hebben we vooral veel te bespreken, straks. Ik bedwing mijn tranen: ik ga hier toch niet zielig zitten doen omdat mijn stem het niet doet?
Om even na tienen stap ik weer in de auto. Het was fijn om hen weer te zien, maar we hebben inderdaad vooral gepraat. Ja, we hebben ook nog een paar liedjes gezongen en dat ging beter dan verwacht, maar nu ben ik totaal leeg. Ik rijd op de automatische piloot naar huis, drink nog wat en videobel met mijn lief. ‘Hoe was het?’ vraagt hij en ik antwoord mat: ‘Fijn om hen weer te zien.’ Pas als we de verbinding hebben verbroken, komen de tranen. Ik baal ervan dat ik vanavond geen energie heb gekregen van het zingen.
Op donderdag zit ik bij de haptonoom. Zodra ik begin te praten, lijkt het opnieuw alsof al het in jaren opgebouwde verdriet, de pijn, alle frustraties en boosheid via mijn ogen mijn lijf verlaten. Ik besef pas sinds kort hoelang ik mijn emoties heb opgekropt. De laatste jaren heb ik nog nauwelijks een traan gelaten. Hoe overbelast moet ik zijn geweest dat ik niet eens meer ruimte had om mijn emoties te tonen? Het was alsof er een cijferslot op zat, waarvan ik me de correcte cijfercombinatie niet kon herinneren. Nu lijk ik de juiste code weer ontdekt te hebben. En dat is fijn. Ik vind mezelf er niet uitzien tijdens een huilbui – wie huilt er wel ‘mooi’? – maar wat ben ik blij dat ik weer kan huilen. Ik las eens: ‘Tranen spoelen niet alleen je ogen maar ook je ziel schoon.’ Dat vind ik niet alleen een mooie, maar ook een hoopgevende gedachte.
]]>Texel heeft me enorm goed gedaan. En aangezien we beiden nog een week vakantie hebben, besloten we nog een paar dagen naar de Eifel te gaan. Gisteren hebben we ons geïnstalleerd in een ruim en mooi appartement in Erkensruhr. Vanmorgen zijn we naar Monschau gereden, de e-bikes achterop. En nu fietsen we over de grotendeels vlakke Vennbahnweg naar Bôsfagne, twintig kilometer verderop. Veel fietskilometers heb ik dit jaar nog niet ‘in de benen’, maar ik ben ervan overtuigd dat ik het makkelijk vol kan houden, mits ik de trapondersteuning op ‘turbo’ zet als ik moe word.
Het turbomoment breekt al na een paar kilometer aan. Hoewel ik me fysiek een stuk beter voel dan een paar maanden geleden, is mijn conditie toch slechter dan ik dacht. Ik probeer er zo nuchter mogelijk onder te blijven. Het is heerlijk fietsweer en we pauzeren straks in Bôsfange voordat we dezelfde route terugfietsen. Links en rechts van het fietspad zien we struiken, bomen met daarachter glooiende velden en heel af en toe een huis. De Rur slingert zich langs het fietspad, soms eronderdoor. Het is hier prachtig, maar waar ik op Texel intens genoot van het fietsen door de duinen en langs de zee, lukt me dat in dit glooiende landschap niet zo goed. Bôsfagne heeft niets te bieden qua pauzeren, dus beginnen we aan de terugtocht en lunchen we bij het enige ‘etablissement’ langs de Vennbahnweg: een treinwagon van waaruit wafels verkocht worden.
Na de koffie met een wafel met kersen en slagroom zegt Gert, wijzend naar een afslag op de Vennbahnweg: ‘Zo fietsen we eenvoudig Monschau binnen.’ Ik slik even en zeg dan: ‘Monschau ligt in een dal. Naar beneden zal het punt niet zijn, maar hoe komen we weer omhoog? Ik geloof niet dat ik de energie heb om naar boven te fietsen, straks.’ Hij antwoordt dat hij met de fiets naar de parkeerplaats zal klimmen en mij dan met de auto zal ophalen. Dat stelt me enigszins gerust. We stappen weer op de fiets en nemen op de Vennbahnweg de afslag die Gert me heeft aangewezen. Opeens houdt het fietspad op. Rechtdoor een wandelpad vol rotsen en kuilen, linksaf een zandpad, een weiland in. Bij gebrek aan befietsbare alternatieven kiezen we dat pad. We hobbelen rustig naar beneden over het karrenspoor. Een tractor komt ons tegemoet. ‘Dit gaat nergens heen,’ zegt de vriendelijke boer, ‘jullie moeten terug naar het fietspad daarboven.’ We draaien ons om en de moed zinkt me in de schoenen als ik de te bedwingen heuvel zie. ‘Ik geef je een zetje,’ zegt Gert. Dat helpt wel, maar bijna bovenaan stap ik hijgend en zwetend af. Ik kán niet meer en raak volkomen in paniek. Dat Gert me probeert te kalmeren, helpt niet. Ik hoor wat hij zegt, maar het komt niet binnen. Mijn lijf weigert elke vorm van dienst. De tranenfabriek werkt echter als nooit tevoren. Ik ben boos op mezelf: waarom heb ik niet tegen mijn lief – en mezelf – gezegd dat deze ambitieuze fietsavonturen niet passen bij mijn opgebrande lijf?
Uiteindelijk raap ik mezelf weer bij elkaar, bereiken we het fietspad weer en fietsen we terug naar waar de auto staat. Daar dichtbij leidt een fietspaadje Monschau in. In de diepte schemeren de daken van de vele vakwerkhuizen in het centrum. Gert ziet me aarzelen en herinnert me eraan dat hij me straks met de auto zal oppikken. ‘Naar beneden moet prima te doen zijn,’ voegt hij eraan toe. Nog geen half uur nadat ik mezelf wel voor mijn kop kon slaan, omdat ik niet eerlijker tegen hem ben over hoe ik me voel en wat ik wil, besluit ik geen spelbreker te gaan zijn en zeg ik: ‘Prima, ga jij maar voorop.’ De weg naar beneden is nog steiler dan ik had verwacht. Het laatste stukje durf ik niet fietsend te doen, dus schuifelen we voorzichtig heuvelaf, de e-bikes aan de hand.
We hebben wat gedronken op een terras, gelopen door het stadje en gegeten in een restaurant waar de glorie al lang is vergaan. Nu zit ik op een bankje te wachten tot Gert me komt oppikken. Ik zit er niet op mijn gemak. De accu van zijn telefoon is leeg; gebeurt er wat terwijl hij naar boven fietst, dan kan hij mij niet bereiken. ‘Het komt goed, lief,’ heeft hij tig keer gezegd voor hij wegfietste. Telkens knikte ik. Maar mijn zenuwstelsel schreeuwde moord en brand. Terwijl ik hier zit, probeer ik het te kalmeren door te analyseren wat er vandaag is gebeurd. Het ging zo goed op Texel; waarom hier dan niet? Ik houd enorm van eilanden, van de zee en de duinen. Bovendien was Texel mijn keuze. Gert wilde graag naar de Eifel; ik heb niks met Duitsland. Maar we hadden gedaan wat ik graag wilde, dus vond ik dat we ook moesten doen wat mijn lief graag wilde. Gert onderbreekt telefonisch mijn gedachten. Hij zit in de auto en is over vijf minuten bij me. Hij had gelijk, denk ik glimlachend: het is goed gekomen.
In de stilte na het korte telefoontje komt opeens het besef dat ik mezelf niet moet overschatten, beter naar mijn gevoel moet luisteren, geen al te grote stappen moet willen nemen en me niet beter moet voordoen om mijn lief te plezieren. Ik moet eerlijker zijn over mijn behoeften, angsten en verlangens. En als dat betekent dat ik soms een spelbreker moet zijn, dan is dat maar zo.
]]>Op dinsdagmiddag krijsen meeuwen boven onze hoofden. Mijn krullen dansen in de wind, ik adem genietend zilte lucht in en laat die langzaam ontsnappen. Terwijl Texel steeds dichterbij komt, voel ik hoezeer de zin in deze korte vakantie per minuut toeneemt. Onder een strakblauwe hemel rijden we na een kwartiertje de veerboot af en de haven uit, richting De Cocksdorp. Het vakantiepark zou een doolhof moeten zijn, maar met behulp van Google Maps vinden we het door ons geboekte huisje feilloos. De zee roept, dus nadat we ons min of meer geïnstalleerd hebben, halen we de fietsen van de auto en trappen we naar het dichtstbijzijnde strand. Ik geniet van het fietstochtje; alle spanning is op de veerboot al van me afgegleden en de wetenschap dat de komende dagen niets moet, stelt me gerust en maakt me blij.
De volgende ochtend fietsen we zo rustig mogelijk over de dijk langs de Waddenzee, terwijl de zon probeert door factor 50 op mijn huid heen te branden. Beschutting is hier nergens te vinden, maar de (rij)wind zorgt voor wat verkoeling. We laten de lunchpauze op een schaduwrijk terras in Oosterend uren duren en daarna wandelen we nog even door het dorp. Verder fietsen we, richting Noordzeekust. En weer pauzeren we, nu bij een uitkijkpunt in natuurgebied De Slufter. Van een wandeling daar zien we af. Zo kabbelen we samen de snikhete dag door. En dat was precies wat ik nodig had: niets moet en alles wat we doen, doen we in alle rust.
Op donderdag brengen onze e-bikes ons naar de aanlegplaats van het schip De Vriendschap. Aan boord komt Gert tot de ontdekking dat zijn zonnebril nog in mijn fietstas zit en gaat die halen. Sterns doorkruisen het bewolkte blauw, een briesje koelt de lucht, de Waddenzee klotst zachtjes tegen het schip en mijn lief komt over de houten pier mijn kant weer op. Heel even klopt alles, ben ik dicht bij volmaakt gelukkig zijn. Voelde ik me een tijd geleden zo, dan zei ik tegen hem: ‘Ik heb weer zo’n geluksmomentje!’ Nu heb ik dat al maandenlang niet meer ervaren. Als Gert weer naast me is gaan zitten, pak ik zwijgend zijn hand. Ik deel niet wat ik voel, bang dat hardop uitgesproken woorden het moment verknoeien.
We zijn aan stuurboordzijde aan de reling gaan staan en hebben al een tijdje gevaren als Gert wijst: ‘Kijk, daar zie ik iets bewegen!’ Ook ik houd de verrekijker voor mijn ogen. Ja, ik zie ook iets in de verte. Een zeehond? Wij blijven ingespannen ‘verrekijkeren’, hopend op meer. Dan klinken achter ons opgewonden stemmen. Mijn lief draait zich om en begint te lachen. Vrijwel alle passagiers hebben zich aan de reling aan bakboordzijde verzameld en niet zonder reden: op en bij een zandbank, redelijk dichtbij krioelt het van de zeehonden. Giechelend gaan wij ook aan die reling staan. De verrekijkers hebben we niet meer nodig.
Onze laatste dag op Texel is aangebroken. En het is nog steeds bloedheet. ‘Ik heb geen zin meer in een fietstocht,’ biecht ik op. Mijn lief maakt er – zoals gebruikelijk – geen probleem van. ‘Dan toeren we gewoon een beetje rond met de auto,’ zegt hij. En dat is wat we doen. ’s Avonds pakken we alsnog de fietsen om naar een restaurant in De Cocksdorp te gaan. Na het diner steek ik mijn fietssleutel in het slot, als ik Gert opeens ‘kwijt’ ben. Ik kijk om me heen: hij is verderop op een krukje aan een groot schaakbord gaan zitten, zie ik. Glimlachend zet ik mijn fiets weer op slot. Een potje schaak is het best denkbare eind van deze heerlijke, rustige dagen op Texel. Ik ga tegenover mijn lief zitten en verzet het eerste van mijn witte schaakstukken.
Op zaterdagochtend krijsen meeuwen boven onze hoofden. Mijn krullen dansen in de wind, ik adem genietend zilte lucht in en laat die langzaam ontsnappen. Terwijl Den Helder steeds dichterbij komt, voel ik hoezeer dit bezoek aan Texel me goed gedaan heeft. Aan de rand van mijn burn-outbrein kriebelt opnieuw een geluksgevoel. Het is nog brozer dan dat van een paar dagen geleden. Maar het is er, onmiskenbaar! En dat is hoopgevend.
]]>Een dag voor mijn verjaardag heb ik op kantoor een fijn gesprek met mijn baas. Aan het eind ervan hebben we het over mijn vakantie die morgen begint. Ik vertel dat we niet naar Italië gaan. ‘We overwegen nu een paar dagen Texel,’ zeg ik aarzelend. ‘Doen,’ zegt hij, ‘lekker even eruit!’ Ik knik, weet eigenlijk niet meer zo veel te vertellen. ‘Wil je met de hele ploeg koffiedrinken?’ vraagt hij dan – want dat is nu eenmaal gebruikelijk als er iets te vieren valt. Verschrikt kijk ik hem aan. Het voelt zo gek om te zeggen dat ik dat niet aankan, maar voordat ik mijn mond open kan doen vult hij aan: ‘Of wacht, dat is misschien wat te veel gevraagd.’ Ik knik dankbaar en zeg dat ik traktaties heb neergezet in het keukentje en dat ik zo naar huis ga.
Op mijn verjaardag word ik wakker naast mijn lief, drink ik koffie bij mijn moeder en lunch ik met mijn dochter. Gedurende de dag word ik overstelpt met berichtjes, telefoontjes, kaarten, bloemen en cadeaus; ik ben geroerd door zo veel aandacht en liefde. ’s Avonds trakteert Gert me op een diner bij Soirée. Als we in bed liggen zeg ik: ‘Ik heb me lang niet zo jarig gevoeld als op deze verjaardag. Het was heel fijn, maar ik ben ook helemaal óp.’ Hij reageert: ‘Maar je hebt nu vakantie, dus kun je de komende drie weken uitrusten en opladen.’ Het voelt raar om ziek thuis te zijn en tóch vakantie te hebben. Maar de gedachte dat ik de komende weken niets hoef en gewoon mag genieten, brengt rust en ik val als een blok in slaap.
Op zaterdag zitten we samen aan de eettafel. Weggaan of thuisblijven, dat is de vraag. ‘Ik voel me eigenlijk best goed,’ zeg ik. ‘Ik wil er graag even tussenuit, want de muren van dit huis heb ik wel genoeg gezien, de afgelopen maanden.’ Gert wil graag naar de Eifel, in Duitsland en ik naar de Wadden. Omdat het de komende week tropisch heet belooft te worden, besluiten we dat het Texel moet worden. Waarschijnlijk zullen de temperaturen daar een stuk lager liggen. ‘En voel ik me daarna goed genoeg, dan kunnen we ook nog een paar dagen naar Duitsland,’ zeg ik glimlachend. Maar eerst gaan we op zoek naar een accommodatie die past bij onze smaak en portemonnee.
We vinden een leuk huisje op een vakantiepark in De Cocksdorp. We boeken meteen. Vanaf dinsdag 23 juni verblijven we daar vier nachten. Ik vind het spannend, maar kijk daar niet meer van op. Ik weet inmiddels dat een burn-outbrein vreemde streken heeft. Bovendien schuilt onder die spanning iets moois: een toenemende zin in deze korte niet-zo-ver-weg-vakantie met mijn lief!
]]>Zeven weken. Zo lang zit ik al thuis. De dagen duren lang. Sinds vorige week publiceer ik mijn burn-out-ervaringen in mijn online dagboek. De reacties die ik op de eerste columns ontvangen heb, zijn hartverwarmend en dragen bij aan mijn herstel. En dat doet het schrijven ervan eveneens – al kost dat me ook veel energie en doe ik er lang over. Waar ik vroeger uren achter elkaar aan een column kon sleutelen, ben ik nu na een minuut of dertig helemaal leeg.
Een boek lezen lukt nog niet en ook de zin in zingen ontbreekt. Voorheen had ik altijd muziek aan – meezingen deed ik van nature. Maar nu is het bijna standaard stil in huis. Heel stil. En in de auto heb ik de radio wel aan, maar komt er geen enkele noot over mijn lippen. Ook niet bij liedjes waarvan ik de tekst kan dromen. Om de week heb ik zangles met twee andere vrouwen. Ik ben al maanden niet geweest en toen de zangdocente vroeg of wij vorig weekend als zanggroepje wilden optreden tijdens de halfjaarlijks terugkerende leerlingenmiddag heb ik aangegeven dat ik er de energie noch de stem voor had. Dat ik daarmee ook de pret bedierf voor de andere twee zangeressen, drong pijnlijk tot me door, maar zij reageerden vol begrip: ‘Dat zingen komt wel weer.’
Fysiek voel ik me weliswaar minder slecht dan een paar weken geleden, maar ik ben nog steeds futloos, heb last van hooikoorts en zweetaanvallen, om maar een paar kwalen te noemen. Mijn burn-out lijkt bovendien een heftige vorm van hypochondrie teweeg te brengen, want bij elk kuchje, vlekje en pijntje denk ik dat het einde nabij is. Zo ontdek ik een raar soort moedervlek op mijn onderbeen. Paniek … dat vlekje is me niet eerder opgevallen. Een dag later buigt de huisarts zich erover. ‘Nee,’ zegt ze, ‘dat is geen moedervlek, maar een onschuldig vaatkluwentje. Dat laatste woord versta ik verkeerd (als ‘vaatklioentje’), maar het eraan voorafgaande woord kalmeert mijn burn-out-brein enigszins.
Weer thuis valt mijn oog plotseling op de voorraad pennen en potloden die ik al heel lang hardnekkig genegeerd heb … Zal ik? Ja, ik ga een kaartje maken voor een vriendin. Niet veel later zit ik geconcentreerd sierletters en decoraties te tekenen, terwijl ik naar een podcastaflevering van een burn-outcoach zit te luisteren. Zodra de aflevering is afgelopen, ga ik naar de playlist met liedjes die Gert en ik elkaar gestuurd hebben in de loop der jaren. Ik zet de lijst op shuffle en teken verder. Als het kaartje bijna klaar is, val ik bijna van mijn stoel. Was ik …? Ja, constateer ik glimlachend: ik was zachtjes aan het meezingen.
Als mijn lief aan het eind van de middag vraagt hoe mijn dag was, moet ik even nadenken over een antwoord. Voor het eerst in zeven weken duurde de dag niet eindeloos. Ik heb getekend en een heel klein beetje gezongen, ik blijk een onschuldig vaatklioentje te hebben en ben niet volkomen futloos. ‘Ik had best een goede dag,’ app ik daarom terug.
]]>Sinds mijn ziekmelding heb ik elke dag een paar uur vanuit huis gewerkt. Ook vanmorgen klap ik de kantoorlaptop open: ik kan nog mooi even wat in een dossier doen voordat ik naar de haptonoom moet. Tien minuten later breekt het zweet me uit. Er is een probleem en ik zie niet hoe ik dat het hoofd moet bieden. Ik bel collega M. Zij gaat het voor me oplossen. ‘Rustig aan hoor,’ voegt ze eraan toe, voordat we de verbinding verbreken. Niet veel later stuurt ze mij een appje: ‘Ik maak me zorgen om je. Ik heb de baas gevraagd alle dossiers bij je op te halen; dit gaat zo niet langer.’ Minutenlang zit ik naar die tekst te kijken. Vanwaar die zorgen? Blijkbaar heb ik paniekeriger geklonken dan ik besefte. Veel tijd om daarover na te denken heb ik niet: de haptonoom verwacht me zo meteen.
Hoewel het intakegesprek maar zestig minuten zou moeten duren, neemt het bijna anderhalf uur in beslag. Goed in kort-en-krachtig ben ik nooit geweest en dat is nu niet anders. Ik vertel hoe ik me voel, hoe ik denk dat dat zo gekomen is en dat ik niet weet hoe aan deze ellendigheid te ontsnappen. Met tussenpozen stromen de tranen over mijn wangen. De haptonoom luistert geduldig, stelt af en toe een vraag en noteert soms iets. Gaandeweg voel ik me een beetje minder bezwaard. Het is zo fijn om je hart te luchten bij iemand die jouw naasten niet kent, iemand die niet (ver)oordeelt en je met zachtheid behandelt. Aan het eind van het gesprek antwoord ik daarom ‘ja, graag’ op haar vraag of ik een vervolgafspraak wil maken.
Ik ben nog maar net thuis, als de bel gaat en mijn werkgever op de stoep staat. ‘Maak je niet druk,’ bindt hij me op het hart voor hij afscheid neemt, een stapeltje dossiers onder zijn arm. ‘Het komt allemaal goed; pak jij eerst maar je rust.’ Veel meer dan knikken kan ik niet. Ik blijf een poosje in de gang staan nadat ik de voordeur achter hem dichtgedaan heb. Ik voel me schuldig ten opzichte van mijn collega’s – en vooral M. Langzaam loop ik de trap op naar de woonkamer. De kantoorlaptop staat nog op tafel. Ik ruim hem op en moet opnieuw huilen. Het voelt als falen, als nutteloos zijn en ik baal van mezelf. De doorgewinterde notarisklerk die ik ben, is niet eens in staat om thuis een paar dossiers te behandelen. Bovendien: wat ga ik nu doen in al die uren tussen ontwaken en gaan slapen? Ik kan mijn dagen vullen met lezen, schrijven, tekenen, wandelen, pianospelen of wat dan ook, maar hoe zinvol is dat allemaal?
‘Heb het leven lief!’ staat er op het kunstwerk boven mijn eettafel. Het hangt er al een poosje en ik heb er al heel vaak en intensief naar gekeken. Maar nu staar staar ik naar die vier woorden, herhaal ze als een mantra, als om mijn over elkaar buitelende gedachten tot stilstand te dwingen. En dat geeft ruimte aan een nieuw inzicht.
Om het leven weer te kunnen liefhebben als nooit tevoren, kan ik niet anders dan dingen die stress opleveren buiten de deur houden, kan ik niet anders dan de deur wagenwijd openzetten voor dat wat me blij maakt en energie geeft. Glimlachend besef ik dat dat laatste het zinvolste is wat ik kan doen. En dat besef geeft rust. Een beetje weliswaar. Maar toch.
]]>De afgelopen weken hebben niet alleen in het teken van mijn burn-out gestaan, maar draaiden ook om de verhuizing van mijn moeder. In mijn logeerkamer staan tal van dozen vol kaarten, brieven, foto’s en andere persoonlijke herinneringen die ik nog eens samen met haar moet gaan uitzoeken. Er zijn allerlei kleine en grotere spullen die mama niet meer kan gebruiken opgehaald door iemand die ze voor een goed doel verkoopt, door familieleden en buren. Vorige week heb ik, zwetend en misselijk, in het huis rondgelopen met de nieuwe huurders en met hen afspraken gemaakt over wat ze wel en niet wilden overnemen. Het kostte me enorm veel energie. Afgelopen woensdag heeft een woningontruimer alles weggehaald dat niemand meer kon/wilde gebruiken.
Over een minuut of tien komt er iemand van de verhuurder voor de oplevering. Ik loop langzaam door het huis om er nu echt en voorgoed afscheid van te nemen. Herinneringen aan logeerpartijen, verjaar- en feestdagen komen naar boven. Op haar slaapkamer staar ik naar de betonnen vloer – de woningontruimer heeft op mijn verzoek de vloerbedekking weggehaald. Een donkere plek ter hoogte van waar een bureautje stond, doet me denken aan die keer, ruim drieënhalf jaar geleden, dat mama gevallen was en daar heftig bloedend lag te wachten op hulp. Hoe anders had het kunnen aflopen? Gebeurt er nu iets ernstigs met haar, dan is de hulp dichtbij.
Op de trap naar beneden komt plotseling het besef dat dit de laatste keer is dat ik hier ben, in het huis dat ik bijna 25 jaar lang mijn ouderlijk huis genoemd heb, dat ik nooit meer bij mijn moeder kan gaan logeren, kortom dat er een nieuw tijdperk is aangebroken. En dat besef beneemt me de adem, net op het moment dat de bel gaat. Ik slik, haal diep adem en ga opendoen.
De rondgang door het huis eindigt na een minuut of tien. Ik overhandig de sleutels aan de verhuurder, uit alle macht proberend mijn tranen te bedwingen. Voor de allerlaatste keer rijd ik even later de straat uit. Ik onderdruk de neiging om mijn hand uit het raampje te steken en ten afscheid te zwaaien, zoals ik dat altijd gedaan heb. Terwijl ik naar het verzorgingshuis rijd, bedenk ik dat ik blij mag zijn dat ik nog gewoon bij mama op bezoek kan gaan, haar kan omhelzen, tijd met haar kan doorbrengen. En ten afscheid zwaaien kunnen we nog steeds, ik onderweg naar de begane grond en zij vanachter het raam in het trappenhuis.
]]>Het zou overdreven zijn om te stellen dat ik geaccepteerd heb dat ik een burn-out heb. Maar ik werk aan die acceptatie. Er staat een vervolgafspraak met de praktijkondersteuner gepland, ik heb een afspraak gemaakt met een haptonoom en ik ga online op zoek naar informatie over alles wat te maken heeft met mijn tijdelijke staat van ellendigheid. Ik vind de podcast ‘Herstellen van burn-out’. De eerste aflevering die ik beluister, maakt me meteen aan het huilen: herkenbaarheid en erkenning buitelen over elkaar heen. Al die professionele hulp is fijn. En steun ontvang ik ook uit mijn naaste omgeving volop. Er komen bloemen, cadeautjes, telefoontjes, berichtjes en heel veel luisterende oren.
Waar mijn lief en ik er voorheen elk weekend op uit waren, doen we nu meestal helemaal niks op zaterdag en zondag. Korte wandelingen, kleine fietstochtjes, dat is het wel zo’n beetje. Hij heeft energie voor tien, ik voor amper één. Zonder te klagen houdt hij rekening met mij en daar ben ik hem oneindig dankbaar voor.
Nu zitten we koffie te drinken op mijn balkon. Ik met een steen in mijn maag: ik heb iets geconcludeerd dat hem ook treft. Hoe ik die conclusie met hem moet delen weet ik niet, dus gooi ik er maar gewoon uit dat ik iets wil bespreken. Hij kijkt me vragend aan. ‘Vertel,’ zegt hij rustig. Nu kan ik niet meer terug. Ik hap even naar adem en ratel dan aan een stuk door: ‘Ik zie als een berg op tegen de vakantie. Naar Italië rijden vond ik vroeger alleen maar leuk, maar ik krijg nu al stress van de gedachte aan de lange autoritten heen en terug. Daar komt bij dat ik vanochtend een mailtje van de tweede accommodatie ontving met de mededeling dat de beheerders zelf op vakantie zijn en dat we de sleutels krijgen van iemand die in een dorp verderop woont. Internet- en telefoonverbindingen blijken op die Toscaanse heuvel heel slecht te zijn. Dan zitten we daar straks, met ons tweetjes, ver van de bewoonde wereld en slecht of niet eens bereikbaar. Wat als we dan dringend hulp nodig hebben?’
Hij is me blijven aankijken. Bijna niet-waarneembaar trekt iets wat ik voor teleurstelling aanzie over zijn gezicht, maar dan zegt hij: ‘Dan annuleren we.’ Een zuchtje verlaat sidderend mijn mond en dan zeg ik zacht: ‘Maar we zouden al over een maand gaan. Ik weet niet of we nog kunnen annuleren zonder kosten.’ Hij haalt zijn schouders op en antwoordt: ‘Ik wil heel graag op vakantie met jou, maar als jij het niet naar je zin hebt, kan ik ook niet genieten. En mochten we het geld kwijt zijn, dan is dat maar zo.’
Er is een last van mijn schouders gevallen en tegelijkertijd voelt het raar. Vakanties konden mij niet vaak, niet ver en niet gek genoeg zijn. En nu zie ik tegen een vakantie op? Maar dan herinner ik me weer het toverwoord: verdragen. Ik herken mezelf niet en dat is rot genoeg. Dat daarbij hoort dat deze vakantie totaal anders ingevuld gaat worden dan wij voor ogen hadden, is niet anders. We spreken af dat we kijken hoe ik me eind volgende maand voel. Heb ik zin in en behoefte aan een paar dagen ertussenuit, dan doen we dat. Heb ik dat niet, dan blijven we gewoon thuis. Voor nu is het: ciao Italia en dat valt eigenlijk best te verdragen.
]]>