Advertise with Googlier.com kerk en recht https://blog.kerkenrecht.nl reflecties van Klaas-Willem de Jong Tue, 13 Oct 2026 15:22:39 +0000 nl-NL hourly 1 Wat is spoedeisend? https://blog.kerkenrecht.nl/2026/10/13/wat-is-spoedeisend/ Tue, 13 Oct 2026 14:46:41 +0000 https://blog.kerkenrecht.nl/?p=1552 Lees meer]]> De kerkorde spreekt op enkele plaatsen over ‘spoed’. Een daarvan is ord. 4-16-5 die de classispredikant de bevoegdheid geeft ‘in spoedeisende gevallen’ een voorlopig besluit te nemen waar in beginsel het Breed Moderamen van de Classicale Vergadering (BMCV) voor bevoegd is. De classispredikant legt dat besluit dan ‘zonder uitstel’ voor aan het BMCV, dat ‘binnen twee maanden het besluit bekrachtigt dan wel een nieuw besluit neemt.’ Wat betekent hier ‘spoedeisende gevallen’?

De kerkorde kent een vergelijkbare bepaling waar het om de bevoegdheden van een moderamen gaat. Daar gaat het om ‘het afdoen van zaken (…) die geen uitstel gedogen.’ (ord. 4-8-3 (kerkenraad); ord. 4-15-6 (classicale vergadering); ord. 4-23-4 (synodale commissie evangelisch-lutherse synode), ord. 4-26-3 (generale synode)). Voor al deze bepalingen geldt dat ze van het begin af aan in de ordinanties gestaan hebben en dat er derhalve in de ooit (1997) uitgegeven Toelichtingen een uitleg te vinden is. In dezelfde of vergelijkbare bepalingen stond toen consequent bij elk van deze bepalingen ‘spoedeisende zaken’ (61, 65, 70, 72), We zullen er daarbij vanuit mogen gaan dat er geen onderscheid bestaat tussen het hier genoemde woord ‘zaken’ en de in ord. 4-16-5 vermelde ‘gevallen’. Onduidelijk blijft echter wat precies met spoedeisend wordt bedoeld. In de gezondheidszorg betekent dat toch al gauw dat niet tot de volgende dag gewacht kan worden. In juridische zaken is meer tijd beschikbaar. Spoedeisend belang is een harde voorwaarde voor een zogenaamd kort geding, maar daar zal het toch al gauw om enkele dagen kunnen gaan voor de zaak voor de rechter komt. Het kerkordelijke ‘geen uitstel gedogen’ wordt in de praktijk ook wel gelezen als: niet tot de volgende reguliere vergadering kunnen wachten. Dan zou de afhandeling weken of zelfs maanden op zich moeten laten wachten. Zo interpreteert de Nieuwe toelichting (2019), die het eveneens omschrijft als ‘spoedeisende zaken’ (132), het in het kader van het moderamen van de kerkenraad. Terecht suggereert de Nieuwe toelichting: ‘Het moderamen kan in deze gevallen vooraf informeel proberen de mening van de kerkenraadsleden te peilen’. Verantwoording vindt achteraf plaats. In de kerkelijke praktijk betekent het voorgaande dus niet per se dat een moderamen zich gedwongen ziet direct, acuut, op te treden. Er kan dus best nog enige tijd overheen gaan, maar op de volgende vergadering kan niet gewacht worden.

Waar het om de bevoegdheid van de classispredikant gaat, zal spoedeisend naar mijn indruk toch eerder iets betekenen als: binnen enkele dagen. In het voorstel in eerste lezing stond in wat ord. 4-16-5 geworden is: ‘in bijzondere omstandigheden’. In de toelichting bij de eerste lezing was bij de uiteindelijk per 1 mei 2018 ingevoerde bepaling te lezen dat het er in de praktijk vooral om zou gaan een predikant, andere ambtsdrager of zelfs een hele kerkenraad ‘voor korte tijd vrij te stellen van werkzaamheden c.q. van verantwoordelijkheid te ontheffen, teneinde een conflictsituatie zo veel mogelijk te bevriezen.’ Met name het laatste wijst erop dat er kennelijk snel gehandeld moet worden. Bij de tweede lezing zit het voorstel om ‘in bijzondere omstandigheden’ te vervangen door ‘in spoedeisende gevallen’. Het Generale College voor de Kerkorde licht toe: het is de bedoeling dat de classispredikant ‘in situaties waarin meerdere instanties betrokken zijn […] niet eindeloos op elkaar gewacht moet worden, maar dat in het overleg met betrokkenen de richting naar een oplossing kan worden gegeven. […] [H]et is van belang dat de classispredikant ter plekke na overleg met betrokkenen dan ook de noodzakelijke maatregelen kan nemen.’

Hoewel in verschillende toelichtingen ‘zaken die geen uitstel gedogen’ wordt weergegeven met ‘spoedeisende zaken’, lijkt de vrijwel identieke uitdrukking in de praktijk van de classispredikant – ‘spoedeisende gevallen’ toch net even een andere toepassing te krijgen. Waar bij een moderamen de uitvoering dikwijls nog wel even op zich kan laten wachten – maar vóór de volgende reguliere vergadering zijn beslag moet krijgen – zal het bij de classispredikant vrijwel altijd om een korte termijn van hooguit enkele dagen gaan. Net als een moderamen kan een classispredikant tegenwoordig door mail of beeldbellen vrij eenvoudig bij het BMCV aftasten of zij met hem van mening zijn dat de te nemen maatregel zinvol en noodzakelijk is. De vraag rijst of bij de classispredikant niet beter dezelfde uitdrukking gebruikt had kunnen worden als bij een moderamen.

]]>
Opnieuw: de vrijheid van het (predikants)ambt https://blog.kerkenrecht.nl/2026/06/18/opnieuw-de-vrijheid-van-het-predikantsambt/ Thu, 18 Jun 2026 06:38:52 +0000 https://blog.kerkenrecht.nl/?p=1535 Lees meer]]> Ik schreef al eens over de vrijheid van het (predikants)ambt. Het begrip van vrijheid komt bijna wat terloops sprake in ordinantie 3-5-3: ‘Bij het opstellen van de beroepsbrief wordt rekening gehouden met de vrijheid van het ambt van predikant als dienaar des Woords.’ Het wordt niet ingevuld. De vraag is, of het betrekking heeft op álle predikantswerkzaamheden of vooral of zelfs uitsluitend op de eredienst. De term ‘dienaar des Woords’ als zodanig lijkt op ‘vooral of zelfs uitsluitend op de eredienst’ te wijzen.

Onlangs heeft de synode in het kader van de ambtsdiscussie en de predikant-pastor in eerste lezing een groot pakket kerkordewijzigingen besproken en grotendeels aangenomen. Eerder heeft de synode aan de hand van een uitgebreide notitie van het GCKO de vraag besproken of de overkoepelende term voor zowel de HBO- als WO-opgeleide predikant niet (weer) ‘dienaar des Woords’ zou moeten worden. De conclusie was dat dit beperkt zou moeten blijven tot ‘een/enkele plaatsen in de ordinanties’. Als eerste wordt in het besluit concreet genoemd ordinantie 3-9-1, alsmede 3-15-1 als optie. Vreemd genoeg blijft ordinantie 3-5-3 ongenoemd, mogelijk omdat de term daar al gebruikt wordt. Maar dat terzijde.

In de eerste lezing zoals die nu is aanvaard staat in ordinantie 3-9-1: ‘Tot opbouw van de gemeente is aan de predikanten als dienaren van het Woord toevertrouwd’, en dan volgen de taken. In dat vervolg krijgt de eredienst een sterke nadruk, maar ook is er nadrukkelijk ruimte voor andere zaken als catechese en toerusting, het missionaire werk, herderlijke zorg en opzicht. Doordat ‘dienaar des Woords’ zowel in ordinantie 3-5-3 als hier wordt gebruikt, ontstaat een vermoedelijk onbedoeld effect. In 3-5-3 wordt de vrijheid verbonden aan ‘het ambt van predikant als dienaar des Woords’. Door het vrijwel exact herhalen hiervan, namelijk ‘predikanten als dienaren van het Woord’, met een toevoeging van de taken die predikanten in deze hoedanigheid hebben, krijgt de genoemde vrijheid een uitwerking in in beginsel alle in de kerkorde aan predikanten toevertrouwde taken.

In de eerdere blog kwam ik tot de conclusie: ‘Op grond van het voorgaande ga ik ervan uit dat de vrijheid van het ambt alle werkzaamheden van het (predikants)ambt betreft, maar dat de verantwoordelijke ambtelijke vergadering in het bijzonder terughoudendheid betracht waar het de bediening van Woord en sacrament betreft.’ Dat wordt door deze wijziging in de kern niet anders. Tegelijk heb ik op grond van de voorgestelde wijziging aan te nemen dat terughoudendheid op gelijke wijze van toepassing is op al het predikantswerk. Dat past bij de idee van het geordineerde ambt dat de synode in haar ambtsvisie omarmd heeft (maar waar ik dus in relatie tot de vigerende kerkorde zo mijn vragen bij heb: zie onder meer dit artikel). De predikant is in deze visie een tegenover van de gemeente en van de zogenaamde gemeenteambten ouderling en diaken. Op zich is de wijziging dus niet meer dan logisch. Niettemin kan makkelijk spanning optreden met de lijn die de kerkenraad heeft uitgezet, onder meer in het beleidsplan.

https://protestantsekerk.nl/download28303/19%20-%20Rapport%20over%20de%20aanduiding%20van%20een%20ambt.pdf
]]>
Waar zijn de synodale verslagen? https://blog.kerkenrecht.nl/2026/06/05/waar-zijn-de-synodale-verslagen/ Fri, 05 Jun 2026 17:11:21 +0000 https://blog.kerkenrecht.nl/?p=1530 Lees meer]]> De website van de Protestantse Kerk in Nederland meldt in een nieuwsitem dat de Handelingen van de hervormde synode over de jaren 2000-2004 alsnog zijn verschenen. Dat is voor een historicus een prachtig bericht, ook voor degene die aan historisch kerkrecht doet. Een belangrijke bron is nu vrij eenvoudig ter beschikking van onderzoekers gekomen. Ik heb de bibliotheek van de PThU daarom direct gevraagd exemplaren te bestellen. Ze staan daar inmiddels in de catalogus.

Toch rijst ook voor het nu een vraag: een oude omissie is nu goed gemaakt, maar waar zijn de verslagen van meer recente synodale zittingen van de PKN? De bibliotheek van de PThU heeft ze tot en met 2015. Van de periode daarna is niets beschikbaar. Ook op de website van de Protestantse Kerk staan ze niet. Dat is wel anders geweest. De kerk heeft tot voor een aantal jaren alle acta, handelingen en verslagen digitaal, ook van de voorlopers Gereformeerde Kerken in Nederland en de Nederlandse Hervormde Kerk aan belangstellenden aangeboden, tot en met de meest recente van de Protestantse Kerk. Ineens, zonder nadere aankondiging, was dat voorbij. Jammer dat ik mijn papieren exemplaren heb weggegooid en de digitale niet heb gedownload. Ik zou een prachtige schat aan data hebben gehad.

Ik heb meer dan eens navraag gedaan. Het digitaal beschikbaar houden van de synodale verslaglegging zou te duur zijn. Het algemeen verstrekken van recente verslagen zou in strijd zijn met AVG/privacyregels. Gericht vragen kan wel. Ik heb waar het echt nodig was ook wel gekregen wat ik hebben wilde. Het kostte alleen wel steeds behoorlijk wat tijd. De bureaucratische horden waren niet altijd even makkelijk te nemen. De argumentatie om dit materiaal niet openbaar beschikbaar te stellen is zwak. Ik kan via de synodale agenda jaren oude youtube filmpjes van de vergaderingen bekijken. Wat privacy?! Het gebruikte argument heeft dus eerder iets van een vermomming van kerkpolitiek onwil.

Er zijn allerlei goede redenen waarom de kerk royaal met dit type bronnen dient om te gaan. Een eerste is de relatie tussen de kerk-in-Utrecht, meer in het bijzonder de synode, en de kerk van het grondvlak. Behalve de strikt vertrouwelijke gedeelten is er dus niets geheimzinnigs aan wat er in de synode gebeurt. Integendeel. Daar wordt hard gewerkt ten behoeve van het grondvlak. Dat mag, dat móet gezien worden, juist ook met het oog op het welzijn van de kerk als geheel, in al haar facetten. De besluitenlijsten die steeds wel – zij het vaak erg laat – op de website geplaatst worden, zijn daarvoor onvoldoende. Ieder lid moet eenvoudig kennis kunnen nemen van wat er aan gedachtenvorming plaats vindt in de synode. Het beluisteren van urenlange youtubefilmpjes moedigt de belangstellende niet echt aan (hoewel er vast software zal zijn om ook daarin stel te zoeken).

Meer in het bijzonder geldt het voorgaande voor mijn vakgebied, dat van het kerkrecht. Een van de belangrijkste bronnen voor zogenaamde rechtsvinding – het beantwoorden van de vraag wat in de specifieke omstandigheden van het geval rechtmatig is – is de geschiedenis die de regelgeving heeft ondergaan. Nu zijn ook de stukken die op de synode aan de orde zijn – met name van voor 2016 – niet altijd even makkelijk te vinden op de website van de kerk en ook die zijn nodig – ook dat zou dus beter moeten. Los daarvan: synodale verslagen maken duidelijk hoe voorstellen ontvangen zijn, welke amendementen op de voorgelegde teksten zijn ingediend en waarom. Dat is van belang om de uiteindelijke regelgeving te kunnen interpreteren, maar ook om eventuele fouten in de teksten te detecteren.

Kortom: fijn dat de hervormde synodale Handelingen 2000-2004 er nu zijn. Meer urgent lijkt me echter het oplossen van die andere omissie, het ontbreken van synodale verslagen over de afgelopen tien jaar.

]]>
Wat is een bepaalde opdracht? https://blog.kerkenrecht.nl/2026/04/28/wat-is-een-bepaalde-opdracht/ Tue, 28 Apr 2026 08:18:55 +0000 https://blog.kerkenrecht.nl/?p=1526 Lees meer]]> De kerkorde geeft een aantal concrete antwoorden op deze vraag. Het commentaar van Bos & Koffeman 2019 noemt ze (112): ambtsdragers in gemeenten met wijkgemeenten voor de gemeente als geheel, ambtsdragers die lid zijn van een commissie die leiding geeft aan een missionaire (wijk)gemeente, kerkelijk werkers die in het ambt bevestigd worden en de ambtsdragers die verkozen zijn met het oog op lidmaatschap van een classicale vergadering. Maar er is volgens het commentaar meer mogelijk: ‘Het gaat […] niet om de normale taakverdeling, maar om specifieke taken, bijvoorbeeld een ouderling-scriba of predikant met een bijzondere evangelisatietaak.’ Eigen aan de verkiezing van ouderling/diaken met een bepaalde opdracht is dat de kerkenraad slechts aanbevelingen hoeft te vragen. Hij hoeft geen kandidatenlijst op te stellen (ord. 3-6-2) of tweetallen te stellen (ord. 3-6-3). Verkiezing door de gemeente is niet nodig. Daarmee kan het ook een manier zijn om directe inbreng van de gemeente te vermijden. Dat is natuurlijk niet de bedoeling.

Toen ik als predikant begon, functioneerde het klassieke model nog volop. Zeker in kleinere gemeenten waren verreweg de meeste taken bij de kerkenraad zelf belegd. Ouderlingen deden huisbezoek, als het even kon ieder jaar op alle adressen. De persoonlijke diaconale hulpverlening bestond toen al nauwelijks meer. Diakenen richtten zich voor een belangrijk deel op de verdeling van gelden voor goede doelen. In de praktijk zien we nu vaak een breed scala van ambtsdragers met een bepaalde opdracht: voor de jeugd, voor andere vormen van bijzonder pastoraat, voor het dienstdoen in het kader van rouw en trouw, voor de werkgroep eredienst, enzovoort. Sommige kerkenraden kennen voornamelijk of zelfs uitsluitend ambtsdragers met een dergelijke opdracht, mede ook ten gevolge van het werkgroepenmodel. Het zou interessant zijn meer nauwkeurig na te gaan, hoe dat zich binnen enkele decennia zo ontwikkeld heeft. Het heeft onder meer te maken met toenemende vragen bij zin en mogelijkheden van het jaarlijkse huisbezoek. Maar ook speelt de specialisering in het dagelijks leven een rol: dat heeft de kerk gekopieerd. In de gemeenteopbouw is het activeren van gemeenteleden sterk opgekomen. Verder speelt mee het steeds moeilijker is geworden ambtsdragers te vinden en vaak blijkt dat mensen het plezierig vinden geroepen te worden voor iets waar ze goed in zijn. Theologisch is dat wel onderbouwd met gaven/talentgericht werken.

Bos & Koffeman houden het erop dat het niet moet gaan om ‘de normale taakverdeling’. Het is dan wel weer vreemd, dat zij de ‘ouderling-scriba’ als voorbeeld noemen. Het scribaat behoort nu eenmaal tot die normale taakverdeling. De kerkenraad kiest de scriba uit zijn midden (ord. 4-8-2). Ook bij activiteiten in het kader van evangelisatie en missionaire roeping valt een dergelijke kanttekening te plaatsen. Zij behoren zowel bij de predikant als de ouderling tot de taken die aan de ambtsdrager zijn toevertrouwd (ord. 3-9-1, 3-10-1) en daarmee intrinsiek tot de taken van het desbetreffende ambt. Hoe zit het vervolgens met het werkgroepenmodel, waarin verschillende kerkenraadstaken toevertrouwd zijn aan werkgroepen (ord. 4-9)? Valt dat onder ‘de normale taakverdeling’?

Wat ik maar zeggen wil: de basisstructuur van menig kerkenraad is zo veranderd dat het onderscheid tussen de hierboven benoemde taken en ‘de normale taakverdeling’ eigenlijk niet goed meer mogelijk is. Dat geldt zelfs voor kerkenraden die min of meer traditioneel functioneren, met een grote nadruk op het geregelde huisbezoek door de ouderlingen. De vraag is al met al echter of de ambtsdrager-met-een-bepaalde-opdracht qua verkiezing nog wel de uitzonderingspositie verdient die die heeft. Dat staat dan weer in het bredere kader van bezinning op de verkiezing van ambtsdragers in het algemeen. Geregeld ontvang ik daarover vragen. Ook meer behoudende gemeenten lopen steeds meer tegen de grenzen van het huidige systeem op.

]]>
Wie mogen herziening vragen in een bezwaarprocedure? https://blog.kerkenrecht.nl/2026/04/24/wie-mogen-herziening-vragen-in-een-bezwaarprocedure/ Fri, 24 Apr 2026 08:06:03 +0000 https://blog.kerkenrecht.nl/?p=1518 Lees meer]]> Met enige regelmaat vragen belanghebbenden om herziening van een einduitspraak in een bezwaarprocedure (ord. 12-11). Wie mogen dat doen? In uitspraak GCBG 12/10 r.o. 2.6 geeft het Generale College voor de behandeling van Bezwaren en Geschillen daarvoor een richtlijn: ‘Herziening kan slechts worden gevraagd door partijen in de procedure die tot de bestreden uitspraak heeft geleid. Belanghebbenden die geen partij waren, kunnen dus niet om een herziening van een uitspraak vragen.’ Op zich klinkt dat logisch. Het ligt in het verlengde van ord. 12-3, waarin de basisregels voor het indienen van een bezwaar zijn opgenomen. Maar vloeit het ook direct uit de regelgeving voort?

De regel die ook sinds 1955 in vergelijkbare formuleringen in de hervormde kerkorde te vinden was (daar laatstelijk ord. 19-17) luidt: ‘Indien het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen inzake een uitspraak waartegen geen beroep (meer) mogelijk is feiten en omstandigheden ontmoet …’. Het is opmerkelijk dat in deze bepaling op geen enkele manier wordt gerefereerd aan de wijze waarop deze ‘feiten en omstandigheden’ aan de commissie bekend worden (zie voor deze uitdrukking deze blog). Dat kan door een concreet verzoek, maar bijvoorbeeld ook door kennisname van informatie op het internet. Helaas bieden de commentaren van Van den Heuvel uit 1991 en 2001 geen aanwijzingen hoe de tekst te lezen is. De Toelichtingen uit 1997 op de nieuwe protestantse kerkorde houdt het op: ‘Maar het generale college kan wel zelf, doordat er nieuwe feiten of omstandigheden bekend worden […] tot de ontdekking komen dat een onjuiste beslissing is genomen.’ (p. 134v). Dat wijst, net als de ordinantiebepaling, in de richting van de mogelijkheid van een ambtshalve beslissing, zonder tussenkomst van derden.

Er is nog een argument dat de overweging van het GCBG weerspreekt. In het kader van het opzicht is het aanhangig van een zaak in beginsel niet afhankelijk van een partij. Het is simpelweg voldoende als ‘feiten en omstandigheden’ daartoe aanleiding geven een onderzoek te start (ord. 10-9-1). Dat kan door een concrete klacht, maar dat hoeft niet. Datzelfde geldt daar voor herziening (ord. 10-12-1), al lijken de bewoordingen bij opzicht iets meer ruimte te geven: ‘feiten en omstandigheden ontwaart’ (vgl. het ‘ontmoet’ bij het GCBG). De Toelichtingen uit 1997 geeft dat echter net als bij bezwaren en geschillen weer als ‘bekend worden’ (p. 107).

Ik kom op grond van het voorgaande tot de conclusie dat de stelling van het GCBG dat alleen partijen herziening zouden kunnen vragen, onjuist is. Voor zover de uitspraak verdere informatie verschaft is het overigens de vraag of dat appellanten geholpen zou hebben (zie daar r.o. 2.12).

]]>
Aard en karakter van het protocol misbruik https://blog.kerkenrecht.nl/2026/04/24/aard-en-karakter-van-het-protocol-misbruik/ Fri, 24 Apr 2026 07:15:07 +0000 https://blog.kerkenrecht.nl/?p=1510 Lees meer]]> Sinds december 2006 heeft de Protestantse Kerk in Nederland een Protocol voor situaties van (seksueel) misbruik. Nadat in januari 2016 en voorjaar 2019 volgende versies waren verschenen, dateert de laatste en vierde versie van zomer 2022. Deze draagt als titel Protocol voor gemeenten die geconfronteerd worden met mogelijk (seksueel) misbruik in pastorale en gezagsrelaties. Wat is de aard en het karakter van dit protocol?

Het antwoord op de vraag waarmee ik begin kan op zich kort zijn. Het protocol is opgezet naar aanleiding van een synodaal verzoek van 30 januari 1999 om ‘richtlijnen voor gemeenten, mogelijk in de vorm van een protocol, waarin wordt aangegeven hoe gehandeld kan worden als seksueel misbruik zich daar voordoet’ (Gezamenlijke vergadering […] op 28, 29 en 30 januari 1999 […], 383). Het woordje ‘kan’ staat er niet toevallig. De beschrijving van het onderliggende rapport Schuilplaats in de wildernis? wijst erop dat dat een bewuste keuze is (par 5.2.2.5). De inleiding op de laatste verschenen versie van het Protocol spreekt in het ‘Vooraf’ over ‘een hulpmiddel om een weg te vinden’, ‘een handreiking om enige orde te scheppen’. ‘De ervaring heeft de afgelopen jaren geleerd dat elke situatie anders is en vraagt om maatwerk. Dit houdt in dat niet alles in een protocol is onder te brengen.’ In de ‘Inleiding’ wordt het woord ‘handelingsadviezen’ gebruikt. In zorgvuldige omgang met alle betrokkenen kan het protocol ‘een leidraad’ zijn en worden.

Voor zover ik heb kunnen nagaan, heeft nooit een synode zich over het protocol gebogen. Dat kan te maken hebben met het feit dat het geen scherp geformuleerde regelgeving bevat. Er is een zekere ruimte in het al dan niet opvolgen van wat het protocol biedt. Tegelijk sluit deze ruimte een stevige synodale aanbeveling of zelfs een vaststelling niet uit. Ook daarin kan immers een nadere verklaring van aard en karakter een plaats krijgen.

Leendert Plug, predikant te Barneveld, attendeerde me erop dat in de in 2012 door de synode vastgestelde Beroepscode voor predikanten en kerkelijk werkers het protocol met name genoemd wordt: ‘De predikant/kerkelijk werker weegt, wanneer hij/zij in vertrouwen op de hoogte is gesteld van een (vermoeden van) tuchtwaardig gedrag, bij de vraag of hij/zij de geheimhouding moet doorbreken (zie B 5) mee dat dit moet worden gestopt en voorkomen en niet mag worden toegedekt. Wanneer seksueel misbruik in het geding is, maakt hij/zij gebruik van het protocol ‘Seksueel Misbruik in Pastorale Relaties’. Dat is onmiskenbaar hetzelfde protocol als het hierboven beschrevene. Hierdoor ontstaat op verschillende manieren een wat vreemde situatie. In de eerste plaats: de Beroepscode beperkt zich strikt genomen tot gemeentepredikanten en kerkelijk werkers in dienst van een kerkelijke gemeente (GR 5-13-1 jo 5-1-1c; resp. GR 4-7-1 jo 4-1-1a), al zal ze als door de synode vastgesteld document in afgeleide zin ook betrekking hebben op bijvoorbeeld predikanten en kerkelijk werkers met een bijzondere opdracht, en emeriti. De inleiding wijst daar ook op: ‘Voor wie op een ander terrein werkzaam is, zal niet elke regel letterlijk van toepassing zijn’. De eerstgenoemde groep is gehouden in voorkomend geval het protocol te hanteren, de andere groep is daaraan in minder stringente mate gebonden. Maar daarmee zijn we er nog niet. Waar in een gemeente en meer in het bijzonder een kerkenraad eventuele predikanten en kerkelijk werkers gehouden zijn het protocol te volgen, kunnen de overige kerkenraadsleden het op zijn best als een dringende synodale handreiking beschouwen. Nu zal alleen al door de formuleringen ook wel duidelijk zijn dat het zo zwart-wit ook weer niet ligt. De Beroepscode heeft het over ‘gebruik maken’, dat biedt ruimte. Er staat nadrukkelijk niet dat het strikt gevolgd moet worden. De ruimte in de bewoording wordt versterkt door het protocol zelf, waarin immers ook sterk het besef doorklinkt dat het in voorkomende gevallen om maatwerk gaat.

Niettemin, de huidige inbedding van het protocol is rommelig, al zal dat vanwege de aard ervan niet snel tot problemen leiden. Het lijkt mij gewenst dat alle ambtsdragers op gelijke wijze aan het protocol gebonden worden. Dat zou bijvoorbeeld geregeld kunnen worden in GR 16, die als titel ‘Veilige gemeente’ draagt (zie ook het onderliggende rapport dat in april 2023 op de synode ter tafel lag). Ook een synodale vaststelling van het protocol zou ik in overweging willen geven. Het protocol zelf maakt in voldoende mate duidelijk dat het geen kerkordelijke teksten betreft, maar dat de handreikingen steeds met het oog op de specifieke situatie moeten worden toegepast. Voor predikanten en kerkelijk werkers met een bijzondere opdracht geldt het protocol dan primair voor zover er sprake is van misbruik in een kerkelijke context. Mogelijk zou verhelderd moeten worden in hoeverre het protocol verder op hen van toepassing is.

]]>
Een spoedvoorziening in het kader van ord. 12-6-2? https://blog.kerkenrecht.nl/2026/04/20/mag-de-voorzitter-van-het-gcbg-ingrijpen/ Mon, 20 Apr 2026 17:07:48 +0000 https://blog.kerkenrecht.nl/?p=1499 Lees meer]]> In de GCBG-uitspraken van 2025 staat onder nummer 2025.02 een interessante uitspraak over de reikwijdte van een voorzittersbeslissing van het GCBG. In dit geval ging het om toepassing van ord. 12-6-2: ‘Indien onzekerheid bestaat over de vraag welk kerkelijk lichaam in een bepaalde zaak bevoegd is tot het geven van een oordeel of indien mocht blijken dat zulk een lichaam in de orde van de kerk niet is aangewezen, beslist het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen welk lichaam in dat geval tot oordelen bevoegd is.’ Wat was het geval? De vervangend coördinator van een meldpunt SMPR had de voorzitter van het GCBG verzocht een Classicaal College voor het Opzicht (CCO) de opdracht te geven een bepaalde zaak over te dragen aan het Interclassicale College voor het Opzicht (ICO), de instantie waar per 1 januari 2025 in eerste aanleg misbruikzaken dienen te worden behandeld. Op basis van het gegeven feitenrelaas en de genoemde regelgeving mag vermoed worden dat die overdracht geboden was. Een overgangsbepaling geeft namelijk aan dat indien er in januari een hoorzitting is of gepland staat, het CCO bevoegd is. Er was inderdaad in januari een zitting, maar anders dan de regels voorschrijven alleen met de beklaagde.

De voorzitter van het GCBG wijst het verzoek af en noemt daarbij twee zaken die verder onbesproken blijven. Het eerste betreft de vraag of de verzoeker wel belanghebbende is. Het tweede of er wel sprake is van een bodemzaak waarin de voorzitter een voorziening kan treffen (vgl. 12-8-3). De voorzitter stelt in een eerste overweging bij de afwijzing dat een ‘voorlopige voorziening’ niet mogelijk is, omdat de verwijzing naar het ICO een definitief, onomkeerbaar karakter draagt. In de tweede overweging stelt de voorzitter dat er niet zozeer ‘onduidelijkheid’ bestaat over wie bevoegd is, maar hierover ‘een verschil van inzicht’ bestaat. Het Generale College voor het Opzicht (GCO) is het aangewezen orgaan om hierover in beroep te oordelen.

Ik vraag me af, of de voorzitter juist in een gevoelige kwestie als deze niet een andere route had kunnen bewandelen. Ik maak in het vervolg enkele kanttekeningen bij de zaak. Ik betrek daarbij zowel de besproken als de onbesproken aandachtspunten in de voorzittersbeslissing.

  1. Het zou ondanks de afwijzing van de voorzitter van dit verzoek niet voor het eerst zijn geweest dat een voorzitter een voorziening had getroffen inzake een verzoek op grond van ord. 12-6-2. Dat is in GCBG 21/13 S ook het geval geweest. Dit had in de overwegingen betrokken kunnen worden en in beginsel aanleiding kunnen zijn geweest het verzoek welwillend te beoordelen.
  2. De vervangend coördinator SMPR is inderdaad geen direct belanghebbende in deze zaak. Een vertrouwenspersoon SMPR kan echter wel namens een getroffene een zaak aanhangig maken (zie de brochure Over grenzen heen). Het lijkt er hier niet direct op dat dat het geval is. Maar zelfs dan is de vraag, of het juist in deze bijzondere procedure waarin het GCBG het gehele terrein van de kerkelijke rechtspraak overziet het belanghebbende-criterium dat met name bij bezwaren en geschillen cruciaal is zo zonder meer mag overzetten op een zaak die primair het opzicht betreft. Een tuchtcollege kan immers alleen al op grond van ‘feiten en omstandigheden’ een procedure starten, ook zonder dat een klager zich heeft gemeld. In de folder Klachtenbehandeling bij misbruik in pastorale relaties en gezagsrelaties staat inzake de melding door anderen: ‘Die zaken worden door het college alleen in behandeling genomen als het slachtoffer (ook wel aangeduid als benadeelde) weet van de klacht en bereid is een verklaring af te leggen.’ Dat was hier het geval.
  3. De voorzitter had ervoor kunnen kiezen het verzoek van de vervangend coördinator SMPR op te vatten als een verzoek aan het GCBG als geheel en dit met spoed te doen behandelen. Een dergelijke interpretatie van het verzoek is met het oog op de ontvankelijkheid niet ongebruikelijk (vgl. bijvoorbeeld GCBG 11/16 S-II, waarin een spoedverzoek om herziening wordt opgevat als een verzoek een (tweede) voorziening te geven ex ord. 12-8-3)). Mogelijk ligt het zelfs meer voor de hand hebben gelegen simpelweg de doorzendplicht te hanteren: is een stuk verkeerd geadresseerd, dan moet het doorgezonden worden naar de juiste instantie (GR 11-3). Naar de letter van de bepaling is het wel de vraag of de voorzitter van het GCBG beschouwd kan worden als ‘college’ (-1) of ‘ander kerkelijk lichaam’ (-2). Een beraad van het GCBG zou gelet op andere uitspraken gauw 1,5 à 2 maanden hebben gekost. Het betrokken CCO had dan fatsoenshalve daarop moeten wachten.
  4. De voorzitter spreekt van een gevraagde ‘voorlopige voorziening’. De kerkordelijke bepaling kent dit begrip echter niet. Daarin is consequent sprake van opschorting en ‘spoedvoorziening’ (ord. 12-8-3 (vgl. 12-3-6), GR 12-24-1,2). Dat is toch net iets anders en biedt meer ruimte. De voorzitter verzet zich tegen het bieden van een voorziening, omdat deze een definitief karakter zou hebben. Als dit gelet op het karakter van de genoemde voorziening al juist is, kan dit aspect in dit geval geen doorslaggevend argument zijn. Ook het afwijzen van een voorziening heeft definitieve, onomkeerbare gevolgen. De klager moet de procedure in eerste aanleg doorlopen en zich desgewenst in beroep maar richten tot het GCO. Beide opties hadden tegen elkaar afgewogen moeten worden, waarbij het zo min mogelijk willen ingrijpen in een lopende (tucht)procedure een aspect zou zijn geweest.
  5. De voorzitter wijst er verder op dat het in deze zaak niet gaat om ‘onduidelijkheid’ over de bevoegdheid. Dat klopt. De kerkorde kent echter in ordinantie 12-6-2 twee situaties waarin het GCBG een uitspraak moet doen: ‘onzekerheid’ of als blijkt dat de kerkorde geen lichaam heeft aangewezen om een oordeel te geven. Van het tweede is geen sprake. Van het eerste in mijn opvatting wel. Onzekerheid is een duidelijk ruimer begrip dan de door de voorzitter genoemde onduidelijkheid. Dat moet ook zo zijn, wil het iets toevoegen aan het tweede deel van de bepaling, waarin de kerkorde niet in duidelijkheid voorziet over het bevoegde rechtsprekende orgaan. Kennelijk ontbreekt hier de gewenste zekerheid.
  6. Overigens, als toch ‘onduidelijkheid’ moet worden aangenomen, dan was het Generale College voor de Kerkorde het aangewezen kerkelijk lichaam geweest om een maatregel te treffen. Dat ‘is bevoegd bij gebleken onduidelijkheden […] in […] overganbsbepalingen een voorlopige correctie aan te brengen.’ (ord. 4-29-2).
  7. Punt van discussie is in deze zaak of al dan niet in januari (2025) een hoorzitting heeft plaatsgevonden. Was dit het geval, dan was het CCO bevoegd. Uit de gegevens die verzoeker van de voorlopige voorziening heeft aangereikt blijkt dat toen alleen met de beklaagde is gesproken. Dat zou volgens GR 11-17-10 goed kunnen, maar dan hadden in eenzelfde kader ook de klagers gehoord moeten worden. Dat is kennelijk toen niet gebeurd. Op zijn best kan gezegd worden dat een begin is gemaakt met een hoorzitting. In dit twijfelgeval zou meegewogen kunnen worden waarom het ICO is ingesteld: verbetering van de tuchtprocedure in misbruiksituaties. Dat zou reden kunnen zijn tóch over te dragen.
  8. Toch zijn we er ook daarmee nog niet helemaal. Het GCBG stelde namelijk in GCBG 08/12 vast (r.o. 2.2): de colleges voor het opzicht zijn bevoegd ‘zelfstandig de wijze van behandeling in te richten van en procedurele beslissingen te nemen in de zaken waarin zij op grond van de kerkorde bevoegd zijn.’ (vgl. GCBG 07/05, r.o. 2.2). Overgezet op de onderhavige zaak: het GCO zou moeten oordelen, zoals de voorzitter van het GCBG ook stelt. Gelet op al het voorgaande is ook hier twijfel op zijn plaats of inderdaad het GCO aan zet is. Met name de genoemde onzekerheid over de overgangsbepaling en de intentie van de nieuwe regelgeving zouden reden kunnen zijn in dit specifieke geval wel een spoedvoorziening te treffen.

Uit het voorgaande blijkt dat de redenering van de voorzitter van het GCBG niet geheel sluitend is. Mijns inziens had bovendien de specifieke situatie meegenomen moeten worden: de klager van misbruik krijgt niet de specifieke kerkelijke procesgang die vanwege de bijzondere omstandigheden en de kwetsbare positie van de klager voor deze gecreëerd is. Uit literatuur is genoegzaam bekend dat het om door de klager veelal als bijzonder zwaar en pijnlijk ervaren procedures gaat. Het is dan wel erg simpel als de klager in dit geval via de vervangend coördinator SMPR te horen krijgt zich bij bezwaar tegen de gevolgde procedure te zijner tijd maar bij het GCO te melden. In feite heeft de klager dan een op diens specifieke situatie toegespitste behandeling gemist. Dat blijft echter geheel buiten beeld.

]]>
Zelfreinigend vermogen tuchtrechtspraak https://blog.kerkenrecht.nl/2026/04/20/zelfreinigend-vermogen-tuchtrechtspraak/ Mon, 20 Apr 2026 11:05:09 +0000 https://blog.kerkenrecht.nl/?p=1494 Lees meer]]> In een vorige blog ging ik in op twee mogelijkheden waarin een ambtelijke vergadering kan ingrijpen in de tuchtrechtspraak. Dat zijn uitzonderingen. De regel is dat de (tucht)rechtspraak het in het behalen van haar doelen (ord. 10-6-1) zelf af moet kunnen, zonder inmenging van buitenaf. Zo kan een plaatselijk college van predikant(en) en ouderlingen besluiten een classicaal college verzoeken een zaak over te nemen (ord. 10-7-6). Een van de belangrijkste waarborgen daarvoor is echter de mogelijkheid van beroep tegen de uitspraak van een opzichtcollege in eerste aanleg (plaatselijk of classciaal) bij het Generale College voor het Opzicht (GCO). Dat is vastgelegd in ord. 10-7-3 en 10-11-1,2,2a. Daarnaast zijn er nog twee opties voor het GCO om ambtshalve op te treden. Daarover gaat deze blog.

Ambtshalve vernietigen (ord. 10-11-8,9)

Het GCO kan nadat het heeft kennisgenomen van een uitspraak in eerste aanleg (vgl. ord. 10-10-4e) om al dan niet kerkelijke tucht toe te passen besluiten die uitspraak te vernietigen (ord. 10-11-8). Dat dient dan te gebeuren binnen zestig dagen nadat de uitspraak verzonden is (GR 11-18-1; NB: daar wordt verwezen naar ord. 10-11-9, waar gelet op de wijzigingen die in de loop der jaren zijn aangebracht 10-11-8 bedoeld zal zijn). Het mag de zaak dan zelf afdoen, dan wel doorverwijzen naar een (eventueel ander) classicaal college, al dan niet begeleid door nadere aanwijzingen voor de afdoening (ord. 10-11-9).

Ambtshalve herzien (ord. 10-12-1)

Als na een uitspraak meer tijd verstrijkt blijft ingrijpen door het GCO mogelijk, als het college ‘feiten en omstandigheden ontwaart waarmede bij de beslissing […] geen rekening kon worden gehouden’ en die waren ze bekend geweest naar de opvatting van het college ’tot een ander besluit aanleiding zouden kunnen geven’. Het samenstel ‘feiten en omstandigheden’ is dezelfde als bij het opstarten van een opzichtprocedure (ord. 10-9-1zie ook een vorige blog) en vormt een behoorlijke drempel. Het gaat in geval van herziening om nieuwe ‘feiten en omstandigheden’, dus naast hetgeen al bekend was. Het kan daarbij ook gaan om een tuchtmaatregel voor iemand die inmiddels overleden is (GCO 2013/B.7). De uitdrukking ‘ontwaart’ maakt duidelijk dat het zowel mogelijk is dat iemand het college erop attendeert, als dat het college op deze gronden eigener beweging een herzieningsprocedure in gang zet. De afdoening blijft bij een herziening in handen van het GCO.

Conclusie

De kerkorde kent twee mogelijkheden om in de kerk van ‘buitenaf’ in te grijpen in de tuchtrechtspraak, zonder dat partijen daar direct invloed op kunnen uitoefenen. Daarnaast heeft het GCO binnen de ‘kolom’ van de tuchtrechtspraak twee mogelijkheden in te grijpen. De eerste dient binnen een redelijk korte termijn plaats te vinden en is vergelijkbaar met een beroep door een van de partijen. Voor de tweede staat geen termijn, maar is de drempel, naar vermoed mag worden vanwege de rechtszekerheid voor betrokkenen, aanzienlijk hoger: het moet gaan om nieuwe feiten en omstandigheden.

Het behoort evenwel niet tot de mogelijkheden van het GCO om leden van (classicale) colleges te ontslaan. Ook ambtelijke vergaderingen kunnen dat niet, zoals ik eerder liet zien. Wel kan het GCO bij twijfel aan de kwaliteit van uitspraken van een CCO deze consequent nader onder de loep nemen. In feite is dat dan een vorm van curatele.

]]>
Feiten en/of omstandigheden https://blog.kerkenrecht.nl/2026/04/15/feiten-en-of-omstandigheden/ Wed, 15 Apr 2026 08:01:13 +0000 https://blog.kerkenrecht.nl/?p=1489 Lees meer]]> De ordinanties kennen in aantal gevallen bij het opzicht (ord. 10) en eenmaal bij bezwaren en geschillen (ord. 12-11-1) de uitdrukking ‘feiten en omstandigheden’. Eenmaal is het ‘feiten of omstandigheden’ (curs. KWdJ). Wat is het verschil?

De uitdrukking ‘feiten of omstandigheden’ komt voor in het kader van de visitatie. Als ‘feiten of omstandigheden daartoe aanleiding geven’ kan het Classicale College voor de Visitatie na overleg met de classispredikant overgaan tot visitatie (ord. 10-5-2c). De frase ‘feiten en omstandigheden’ heeft in alle gevallen betrekking op een tuchtprocedure: als op grond hiervan een plaatselijk college van predikant(en) en ouderling ‘onvoldoende onafhankelijk zou kunnen oordelen’ (ord. 10-7-8), als basis voor het starten van een onderzoek naar ‘iemands belijdenis en wandel dan wel vervulling van ambt of bediening’ (ord. 10-9-1), als basis voor het advies dat de betrokkene zich gedurende de procedure terughoudend opstelt in het leven van de betrokken gemeente (ord. 10-9-3), als aanleiding een schorsing voor onbepaalde tijd op te heffen (ord. 10-9-10), als grond voor een herziening(sprocedure) (ord. 10-12-1).

Wie de beide uitdrukking naast elkaar plaatst en er even over nadenkt, zal al snel inzien dat ‘feiten of omstandigheden’ meer ruimte biedt dan ‘feiten en omstandigheden’. Ofwel: de drempel om een visitatie te starten is duidelijk lager dan om de genoemde stappen te zetten in een tuchtprocedure. Daar kan het gaan om louter omstandigheden, terwijl bij tucht het altijd ook om feiten moet gaan. Toegegeven: de scheidslijn tussen feit en omstandigheid is dun. Hoewel ook visitatie diep kan ingrijpen, is dat met een opzichtprocedure zeker het geval, te meer daar visitatie zich richt op een groep/gemeenschap en niet zelfstandig maatregelen kan nemen, en opzicht op een enkele persoon waarbij een tuchtmaatregel tot de mogelijkheden behoort. De desbetreffende colleges voor het opzicht zullen in voorkomende gevallen dus een steviger argumentatie moeten hebben dan in geval van een visitatie. Dat betreft ook de opheffing van een schorsing of een herziening. Dergelijke besluiten dragen eenzelfde gewicht als de start van een procedure.

]]>
Onafhankelijke kerkelijke rechtspraak? https://blog.kerkenrecht.nl/2026/04/14/onafhankelijke-kerkelijke-rechtspraak/ Tue, 14 Apr 2026 08:05:45 +0000 https://blog.kerkenrecht.nl/?p=1485 Lees meer]]> Een van de kenmerken van de kerkelijke rechtspraak in de PKN is het feit dat het een eigen ‘kolom’ is, los van de ambtelijke vergaderingen die de organen instellen en een zekere mate van eindverantwoordelijkheid dragen. Hierin verschilt deze rechtspraak van die in de Dordtse Kerkorde, waar het de ambtelijke vergaderingen zelf zijn die een oordeel vellen, zowel als het gaat om een bezwaar tegen een besluit als om de uitoefening van de tucht. De rechtspraak van de PKN sluit bewust aan bij hedendaagse, rechtstatelijke vereisten. Zo worden de leden van de colleges voor de lange periode van tien jaar benoemd en zijn ze niet terstond herbenoembaar. Bij mogelijke partijdigheid of gevaar voor de onafhankelijkheid moeten zij zich verschonen en is er de mogelijkheid tot wraking (vgl. GR 11-8). Toch kent het tuchtrecht twee bepalingen waarin een ambtelijke vergadering wel enige invloed kan uitoefenen op de gang van zaken. Ik bespreek ze hier in samenhang.

De bevoegdheid van kerkenraad of Breed Moderamen Classicale Vergadering (ord. 10-11-3)

‘Indien de betrokken kerkenraad of het betrokken breed moderamen van een classicale vergadering [BMCV] van oordeel is dat een classicaal college in gebreke is gebleven ten aanzien van de behandeling van een beschuldiging die is ingebracht’, kan deze vragen stellen over de beweegredenen en zich bij onbevredigende antwoorden wenden tot het Generale College voor het Opzicht (GCO) voor een ‘voorziening’. Deze regel is in de kern afkomstig uit de Hervormde Kerkorde (daar ord. 11-7-5). Ze heeft van het begin af aan gestaan in de kerkorde van de PKN. In de Toelichtingen uit 1997 staat ter uitleg: ‘als een regionaal [tegenwoordig: classicaal] college een klacht ten onrechte (nog) niet in behandeling heeft genomen’. Voorgeschreven is namelijk dat een zaak ‘onverwijld’ in behandeling moet worden genomen (GR 11-4-1). In feite is de bedoeling niet meer dan de behandeling van een zaak een impuls te geven. De rechtspraak als zodanig blijft binnen de ‘kolom’

De bevoegdheid van de kleine synode (ord. 10-7-5)

‘De kleine synode kan indien zij van oordeel is dat een classicaal college voor het opzicht in een bepaalde zaak met de ontplooiing van zijn activiteiten in gebreke blijft opheldering vragen over de redenen daarvan.’ Is de kleine synode niet tevreden dan kan zij het GCO opdragen ‘de zaak alsnog ter hand te nemen en een voorziening te treffen’. Deze bepaling is pas in een laat stadium in de PKN-kerkorde terecht gekomen. In mei 2002 stelde een van de considererende classes voor ‘om ook een eventueel ontslag van de leden van het college hier te regelen’. Dat wordt echter ongewenst geacht ‘omdat dit de onafhankelijkheid van de rechtspraak zou aantasten. Wel is de werkgroep [kerkorde] van mening dat er een instantie behoort te zijn die kan worden aangesproken op disfunctioneren van het college als zodanig.’ Het gaat hier kennelijk om een veel dieper ingrijpen in de tuchtrechtspraak, namelijk meer in het algemeen bij ‘disfunctioneren’. Het is dan ook niet op plaatselijk of classicaal niveau dat dit ingrijpen is belegd (zoals in ord. 10-11-3), maar op landelijk niveau. Maar ook in dit geval is de bemoeienis van buiten de ‘kolom’ beperkt: het instigeert tot het ondernemen van actie. De inhoud van de actie is aan het hoogste orgaan van de tuchtrechter zelf. Van de Heuvels Toelichting uit 2013 voegt daar in lijn met de synodale overwegingen uit 2002 aan toe (261): ‘Tot de door het generale college voor het opzicht te treffen voorzieningen als juist genoemd hoort niet dat de leden van een regionaal college voor het opzicht uit hun functie worden ontheven.’ (vgl. ook Van den Heuvel 2004, 238)

Toch is er in de geciteerde tekst en in wordingsgeschiedenis van de bepaling nog wel een probleem. De tekst heeft: ‘alsnog’. Dat wijst erop dat het gaat om eenzelfde werking als in ord. 10-11-3. Zo heeft men het ook gelezen in 2011 bij de grote herziening van de kerkorde die in 2013 geëffectueerd werd. In synoderapport AZ 11.06 staat bij de ordinantiebepaling: ‘In de gevallen waarin de behandeling […] om enige reden stagneert’.

Echter, op grond van de kennelijk oorspronkelijke bedoeling van de bepaling en de systematiek – het orgaan dat ingrijpt – meen ik dat de lezing uit 2011/2013 te beperkt is. Ik wijs in dit verband ook op een ander aspect van de tekst: de woorden ‘met de ontplooiing van zijn activiteiten’ (ord. 10-7-5) wijst op een ander, groter bereik dan ’ten aanzien van de behandeling van een beschuldiging’ (ord. 10-11-3).

De vraag die overblijft is wanneer dit ingrijpen door de kleine synode mogelijk is. Tot 60 dagen nadat de uitspraak gedaan is, kan het GCO die vernietigen (GR 11-18-1, vgl. ord. 10-11-8,9). Als dat niet gebeurt is de uitspraak daarmee definitief. Omwille van de rechtszekerheid zal toepassing van ord. 10-7-5 uiterlijk binnen die termijn moeten plaatsvinden, waarbij ik de complicerende situatie dat het GCO zelf al heeft besloten tot vernietiging buiten beschouwing laat. Toch is ingrijpen ook na deze termijn mogelijk, zij het dat dan aan de criteria van ordinantie 10-12 moet worden voldaan: er zijn, kortweg, feiten en omstandigheden waarmee ten tijde van de uitspraak geen rekening is gehouden en die tot een ander besluit aanleiding zouden kunnen geven. Die kunnen in beginsel echter door iedereen worden aangedragen. Het gaat erom dat het GCO ze ‘ontwaart’.

Conclusie

De tuchtrechtspraak kent twee bepalingen waarmee van buiten ingegrepen kan worden. In beide gevallen is de invloed beperkt: in het eerste geval (ord. 10-11-3) gaat het slechts om het laten versloffen van een klacht; in het tweede geval (ord. 10-7-5) om de wijze waarop een klacht behandeld wordt. In beide gevallen is het aan het GCO om de zaak verder in behandeling te nemen en eventueel door te verwijzen naar een ander classicaal college. Ingrijpen op een besluit van het GCO is niet mogelijk.

]]>