Advertise with Googlier.com Samenspraak https://blog.interactie-academie.be Fri, 04 Sep 2026 05:12:56 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=7.1.4 https://blog.interactie-academie.be/wp-content/uploads/2016/03/cropped-logo-icoon-1-32x32.png Samenspraak https://blog.interactie-academie.be 32 32 104342946 Draden van verbinding weven tussen België en Syrië https://blog.interactie-academie.be/ter-inspiratie/draden-van-verbinding-weven-tussen-belgie-en-syrie/ https://blog.interactie-academie.be/ter-inspiratie/draden-van-verbinding-weven-tussen-belgie-en-syrie/#respond Thu, 03 Sep 2026 12:56:05 +0000 https://blog.interactie-academie.be/?p=24502 Elia[1] is een 15-jarige Syrische niet-begeleide minderjarige vluchteling. Zijn ouders, broers en zus wonen nog in Syrië. Gedurende een jaar volgt Elia een traject bij Paso, een transculturele jeugdpsychiatrische dagbehandeling voor jongeren met een achtergrond van vlucht en migratie, waar ik werk als systeemtherapeut. In deze bijdrage illustreer ik hoe narratieve praktijken vorm geven aan het samenwerken tussen de jongere, zijn gezin en het behandelteam.

Ons werk wordt gekenmerkt door een geïntegreerde aanpak, waarbij therapeuten ook buiten de therapiesessies tijd doorbrengen met jongeren. We koken en eten samen, voetballen in de tuin of drinken thee op het oosters vloerkleed in de leefruimte, terwijl we samen foto’s en filmpjes op hun smartphone bekijken. Juist in deze informele momenten ontstaan vaak waardevolle gesprekken en verbinding.

Vanaf de start van de behandeling geeft Elia inkijk in zijn rijke familiale en culturele verbondenheid. Dit wordt zichtbaar in zijn kledij, zijn gewoonte om maté te drinken en de vele foto’s en filmpjes op zijn gsm die hij graag met ons deelt.

Door tijdens deze spontane ontmoetingen nieuwsgierige vragen te stellen en zijn ‘club of life’ (Myerhoff, 1982) zichtbaar te maken, groeit stap voor stap een therapeutische werkrelatie, zowel met Elia als met zijn ouders in Syrië. In het jaar dat hij naar Paso komt, zie ik hem ongeveer wekelijks individueel. Tweewekelijks is er een transnationaal videogesprek met zijn ouders of gezin.

De redder in mij: externaliserende conversaties

In de gezinsgesprekken spreken we samen over de veranderde gezinsrollen en het gezinsverhaal. Elia werd als dertienjarige en jongste zoon naar België gestuurd, met de hoop dat hij later gezinshereniging mogelijk zou maken. Vader vertelt hoezeer Elia volgens hem de capaciteiten heeft om zorg en verantwoordelijkheid voor het gezin te dragen. Hij ziet hem als hun ‘redder’.

Wanneer ik hardop benoem dat het misschien ook zwaar kan zijn om die rol te dragen, word ik door Elia stevig teruggefloten: “Ik heb vrijwillig gekozen om te komen, ik kies om de redder te zijn, ik wil dit doen. Een jongeman die uit Syrië vertrekt moet sterk zijn, en moet deze taak dragen.”

Na het gesprek denk ik na over de ergernis die ik voelde in het terugfluiten van Elia. Waarvoor zou zijn ergernis ‘opkomen’? Welke ‘geprefereerde identiteit’ schuift hij naar voren? Maar ook: welke sociale discoursen over wat een jonge vluchteling allemaal moet doen en kunnen krijg ik te horen?

Ik ervaar iets van de complexiteit van de reddersrol en voel hoe delicaat het zou kunnen zijn om dit in deze fase van zijn traject al te proberen bespreken in aanwezigheid van zijn ouders. Ik schrijf hem dit briefje:

Dag Elia,

Bedankt om mij vandaag te helpen begrijpen hoe belangrijk het voor jou is om de redder te kunnen zijn voor jouw familie. Hoe ‘redder zijn’ geen rol is die jou is opgelegd door anderen, maar een rol die je ook zelf gekozen hebt om te dragen. Hoe ‘redder zijn’ niet alleen maar stress geeft, maar ook betekenis en eer.

Ik heb veel respect voor de zorg die jij wil dragen voor jouw familie.

Ik wil in onze volgende gesprekken graag samen nadenken over hoe de redder in jou sterk kan blijven, waar hij op adem kan komen, wat hem kracht geeft, en bij wie hij terecht kan op momenten dat hij zich moe voelt.

Vind jij dat ook een goed idee?

Bedankt voor ons gesprek, en goed weekend,

Ruth

In de volgende individuele gesprekken zet ik in op een ‘externaliserende conversatie’ (White, 2007) rond de ‘redder’ in Elia. Ik leer een jongen kennen die zich vaak vrolijk en optimistisch presenteert, maar ’s nachts ook urenlang kan piekeren. Zijn ogen stralen, naast kracht, ook diep verdriet uit. Samen met Elia leg ik de ‘redder’ in hem op de onderzoekstafel, op zoek naar een meer rijk en gelaagd verhaal.

Elia kiest voor een foto van Che Guevara om ‘de redder’ te typeren. We bespreken hoelang deze ‘redder’ al in hem woont, wat zijn bestaansreden is, zijn grootste talenten en belangrijkste supporters. Dit leidt tot een ‘re-membering conversatie’ (White, 2007) over ‘baba Hasan’, zijn grootvader die revolutionair was (een vroegere ‘redder’ in de familie), en een grote inspiratiebron voor Elia.

Elia zegt dat de redder in hem zeventig procent van de tijd ziek en moe is, en dat eigenlijk niemand dat weet. Voor mij een bevestiging dat het goed was dit gesprek in eerste plaats met Elia apart te voeren.

We brengen eerst de steunbronnen van de redder in kaart (FC Barcelona!). Daarna onderzoeken we samen wat deze redder nodig heeft om op krachten te blijven, wie hem daarbij kan helpen en of hij ook af en toe mag rusten. We verkennen wat er met de rol van redder gebeurt wanneer Elia’s familie dichterbij komt, zijn toekomst in België onzeker wordt of wanneer de familie ziet dat ook hun ‘redder’ kwetsbaar is.

Ook in de gezinsgesprekken wordt langzaam maar zeker ruimte gemaakt voor een rijker verhaal. In dit proces kon Elia aan zijn ouders vertellen hoe machteloos en verdwaald hij zich soms voelt, en konden ouders hem de toestemming geven om zorg te dragen voor zichzelf en zijn eigen toekomst. Zelfs als zij misschien nooit naar België kunnen migreren.

Intermezzo: een tafellaken op reis

En dan passeert ‘een tafellaken op reis’ langs onze dagbehandeling. Dit is een project van het Narratief, Dialogisch en Collaboratief Collectief, waarbij mensen via verhalen over betekenisvolle momenten aan tafel delen wat hen verbindt en kracht geeft in moeilijke tijden.

In het boek met kleine acties van verzet en verbinding tekent en schrijft Elia in zijn moedertaal: “Als je je innerlijke gevoelens niet deelt en zwijgt over de ellende die er in de wereld is, zullen er tranen met de kleur van bloed uit je ogen komen en zullen de wonden nooit genezen.”

Zou de ‘redder’ in hem geleerd hebben dat verzet zich niet alleen maar toont in altijd sterk zijn?

Een talisman voor het asiel-gesprek: ‘beads of life’

De asielprocedure doorkruist ons therapeutisch werk. Elia wordt uitgenodigd voor zijn ‘groot interview’ bij het CGVS[2], een moment dat bepalend zal zijn voor de rest van zijn leven en dat van zijn familie. In het zoeken naar een manier om Elia en zijn familie te ondersteunen op dit belangrijk ogenblik, vind ik inspiratie bij de ‘beads of life’ methodiek (Portnoy et al., 2016).

Omdat belangrijke levensmomenten vaak gepaard gaan met onzekerheid en onmacht, stel ik zijn papa en mama voor om samen met Elia een talisman te maken, als steunobject voor zijn interview. De ouders beginnen spontaan te lachen en vertellen hoe Elia Syrië destijds ‘als een koning’ verliet, uitgerust met juwelen en een speciale jas als symbolen van bescherming en hoop.

Hoewel ze aangeven niet bijgelovig te zijn, herkennen ze hoe zulke rituelen op moeilijke momenten kracht kunnen geven. Het werken met kralen roept bovendien herinneringen op aan hun vroegere kralenwinkel. Met veel enthousiasme kiezen ze, via WhatsApp video mee glurend in mijn doos vol kralen, elk een kraal om toe te voegen aan de talisman.

Tijdens het knutselen luistert Elia aandachtig naar de boodschappen van zijn ouders. Vader kiest een handje als symbool voor de islamitische praktijk van ‘ruqyah’, een smeekbede om bescherming van Allah te vragen. Moeder kiest een dobbelsteen als wens voor geluk.

Zelf voegt hij eerst drie ruwe kralen toe voor zijn grootvader (‘baba Hasan’), zijn grootste supporter, met als bijhorende boodschap “wees niet bang, je kan dit”. Ook zijn zus en twee broers krijgen een eigen kraal. Tot slot kiest hij letterkralen met ‘PASO’, als symbool voor de steun van het begeleidersteam en hun boodschap dat hij de moed in zijn hart heeft om zijn verhaal te vertellen.

Hij neemt de talisman mee op zijn ‘reis’ naar het commissariaat, samen met een legende van de betekenissen van de kralen. En het is bijna niet te geloven: twee maanden later ontvangt hij verblijfspapieren.

De grote vergadering: een evolutiebespreking als getuigenpraktijk

Maandelijks vindt er per jongere een evolutiebespreking plaats, een multidisciplinair overleg zonder de jongere erbij. Elia deelt echter zijn verlangen om eens te mogen meepraten op zijn ‘grote vergadering’.

Geïnspireerd door Michael Whites ‘definitional ceremonies’ ontwikkel ik een protocol waarbij, voor het eerst binnen de werking van Paso, een jongere actief kan deelnemen aan zijn eigen evolutiebespreking. Hiermee wordt de traditionele multidisciplinaire vergadering omgevormd tot een podium waarop Elia zelf getuigenis kan afleggen over zijn traject, de betekenisvolle gebeurtenissen, zijn groei en de mensen die hem ondersteunden.

De bijeenkomst wordt grondig voorbereid in dialoog met Elia en opgebouwd in drie fasen:

(1) de vertelling door Elia, die geïnterviewd wordt door zijn individueel begeleider, terwijl de aanwezige begeleiders en een ‘outsider witness’ als getuigen luisteren;

(2) de hervertelling door de getuigen, waarbij de begeleiders met elkaar delen wat hen in Elia’s verhaal geraakt heeft, welke beelden worden opgeroepen en wat ze eruit meenemen voor hun toekomstige werk met andere jongeren;

(3) de hervertelling van de hervertelling, waarbij Elia wordt uitgenodigd om te reflecteren op deze getuigenissen en te benoemen wat hij hiervan wil meenemen op zijn verdere levenspad.

De getuigen krijgen duidelijke instructies om niet met een analytisch of oordelend oor, maar wel met hun hart te luisteren. Op basis van de grote vergadering schrijf ik vervolgens “Een verhaal van Elia’s tijd in Paso”, een getuigenisdocument dat hij meekrijgt op de dag van zijn vertrek. Ik deel enkele fragmenten.

“Een week voor je vertrek uit Paso, kwamen we samen rond de grote tafel. We kwamen samen om te praten over wat deze plek voor jou heeft betekend. Je zat aan het hoofd van de grote tafel, “bijna als een koning”, geflankeerd door jouw IB en tolk “tante Racha”, die simultaan tolkte, “bijna zoals in National Geographic”. Het was een spannend moment omdat het de eerste keer ooit was dat een jongere meedeed aan zijn grote vergadering met begeleiders. Je voelde aan hoe het voor de begeleiders nog spannender was dan voor jou.”

“Jouw familie was sterk aanwezig in de grote vergadering. Toen jou werd gevraagd wie van je familie of vrienden het meeste steun heeft gegeven, kwam jouw antwoord zonder aarzeling: “Mijn mama en papa zijn mijn grootste supporters, zijn staan op nummer één.” Je vertelde hoe je hun morele steun bent blijven voelen, hoe zij zijn blijven vragen, helpen en ondersteunen, ondanks de afstand.

Een getuige was geraakt door hoe dichtbij jouw ouders voelden in je verhaal, zelfs al zijn ze heel ver weg. Ze dacht na over hoe moeilijk het moet zijn om je weg te vinden in een nieuw land, om ‘gewoon te worden’, als die mensen die het meest voor je betekenen zo ver weg zijn.”

“We spraken ook over welke moeilijke momenten er waren in jouw tijd in Paso, en wat jou geholpen heeft om daarmee om te gaan. (…) Je vertelde dat je moeilijke dingen hebt kunnen bespreken. Misschien was dit wel één van de belangrijkste ontdekkingen van het voorbije jaar: “Ik heb geleerd om, wanneer ik een probleem heb, dit rustig aan te pakken, erover na te denken, hierover te delen met anderen, andere meningen te vragen. Door jullie heb ik geleerd dat ik niet alleen hoef te zijn. Dat ik met anderen mag zijn en dat ik mag delen.”

Een begeleider van de leefgroep waar je woont was heel blij dat je dit hebt kunnen ontdekken en vertelde hoe hij onder de indruk was van de maturiteit waarmee je aanwezig was in je grote vergadering: de rust waarmee je antwoorde, en de manier waarop je nadacht voor je sprak. “Ik heb Elia nog nooit zo gezien,” zei hij.”

“Na bijna één jaar in Paso weet je als geen ander wat voor plek het is en welke raad nieuwe jongeren kunnen gebruiken. Je zei: “In het begin zal het wennen zijn, maar het komt goed. Kom naar Paso, heb vertrouwen, de mensen zijn er lief. Heb vertrouwen.”

De individueel psycholoog hoorde hierin niet alleen advies, maar ook hoop. Hij vertelde hoe vertrouwen vinden voor veel jongeren een moeilijke weg is, en vond het hoopvol dat jij aan anderen wil doorgeven dat het mogelijk is om steun te vinden en te durven vertrouwen.”

Afscheid – én meer – met een brief

Bij de afronding van de gezinsbegeleiding lees ik een persoonlijke afscheidsbrief voor aan Elia en zijn ouders. In deze brief probeer ik zowel het ‘landschap van actie’ als het ‘landschap van identiteit en betekenis’ zichtbaar te maken. Ik benoem de verschillende concrete dagelijkse praktijken van familiale verbondenheid-vanop-afstand waarvan ik getuige werd, maar sta ook stil bij de waarden, hoop en liefde die in hun gezinsverhaal naar voor komen.

In de afsluitende minuten van het gesprek geven Elia’s ouders spontaan aan dat zij zich in de toekomst graag beschikbaar stellen voor de ondersteuning van andere ouders die, net als zij, vanop afstand betrokken proberen te blijven bij het leven van hun kinderen in België. Hun voorstel doet me denken aan de collectieve narratieve praktijken van David Denborough, waarin mensen ondanks ingrijpende en precaire levensomstandigheden ervaren dat ook zij een waardevolle bijdrage kunnen leveren aan het leven van anderen.

Wie weet krijgt dit initiatief in de komende maanden nog vorm? Voor mijn eigen ontwikkeling als narratief hulpverlener én als mens staat echter vast dat Elia en zijn gezin een onschatbare bijdrage hebben geleverd.

_____

[1] Elia is een pseudoniem.

[2] Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen: onafhankelijk orgaan dat asielaanvragen onderzoekt en verblijfsdocumenten aflevert.

Referenties

Denborough, D. (2018). Do you want to hear a story? Adventures in collective narrative practice. Dulwich Centre Publications.

Myerhoff, B. (1982). Life history among the elderly: Performance, visibility, and remembering. In J. Ruby (Ed.), A crack in the mirror: Reflexive perspectives in anthropology (pp. 99–120). University of Pennsylvania Press.

Portnoy, S., Girling, I., & Fredman, G. (2016). Supporting young people living with cancer to tell stories in ways that make them stronger: The Beads of Life approach. Clinical Child Psychology and Psychiatry, 21, 255-267.

White, M. (2007). Maps of narrative practice. W. W. Norton.

]]>
https://blog.interactie-academie.be/ter-inspiratie/draden-van-verbinding-weven-tussen-belgie-en-syrie/feed/ 0 24502
Mag een leidinggevende nog leiding geven? https://blog.interactie-academie.be/opinie-debat/mag-een-leidinggevende-nog-leiding-geven/ https://blog.interactie-academie.be/opinie-debat/mag-een-leidinggevende-nog-leiding-geven/#respond Wed, 01 Jul 2026 19:54:28 +0000 https://blog.interactie-academie.be/?p=23217 Beste leidinggevende in de hulpverlening,

Er moet me iets van het hart. Waar is de tijd dat een leidinggevende nog gewoon leidinggevende mocht zijn? Iemand die knopen doorhakte en daarbij voortdurend zocht naar een evenwicht tussen het belang van de cliënt, de organisatie en de medewerker. En ja, soms kwam het belang van de medewerker daarbij op de derde plaats.

In de jaren zestig en zeventig groeide het verzet tegen traditionele autoriteit. De anti-autoritaire opvoeding zette hiërarchie, gehoorzaamheid en opgelegde regels onder druk. Beslissingen moesten voortaan ontstaan uit dialoog en overleg. Hoewel slechts een minderheid deze opvoedingsstijl strikt toepaste, sijpelde het onderliggende denken wel door in de samenleving.

De kinderen van toen zijn vandaag medewerkers, leidinggevenden en bestuurders. Zij brachten een andere verwachting mee naar de werkvloer: gezag is niet vanzelfsprekend, maar moet telkens opnieuw worden verdiend.

Autoriteit werd steeds vaker geassocieerd met machtsmisbruik in plaats van met verantwoordelijkheid. De goede leidinggevende werd iemand die medewerkers als gelijken behandelt, luistert en beslissingen zoveel mogelijk samen neemt.

Dat zie je ook terug in wat Frederic Laloux ‘de groene organisatie’ noemt. Medewerkers krijgen meer inspraak, verantwoordelijkheden worden gedeeld en coachend leiderschap wordt de norm. Tevredenheidsmetingen, projectgroepen, 360°-feedback en participatie moeten ervoor zorgen dat de expertise van medewerkers beter wordt benut.

Die evolutie heeft veel goeds gebracht. Medewerkers worden meer betrokken en organisaties luisteren beter naar wat leeft op de werkvloer.

Maar er is ook een keerzijde. Wat is de waarde van een tevredenheidsmeting als er niets met de resultaten gebeurt? Hoeveel projectgroepen zijn nodig voordat er eindelijk een beslissing valt? En hoeveel overleg is wenselijk voordat mensen vergadermoe worden?

Soms lijkt de angst om autoritair over te komen groter dan de bereidheid om daadwerkelijk leiding te geven.

Laloux zag een mogelijke volgende stap in zelfsturende teams, zonder klassieke leidinggevenden. De voorbije tien jaar hebben veel organisaties daarmee geëxperimenteerd. Sommigen met succes, anderen veel minder.

Mijn indruk is dat de grootste golf ondertussen achter ons ligt. Veel organisaties ontdekten opnieuw de meerwaarde van een leidinggevende. Moeilijke beslissingen verdwijnen immers niet door de functie af te schaffen. Zeker niet wanneer het belang van medewerkers botst met dat van de organisatie of de cliënten.

En dus, beste leidinggevende, het lijkt erop dat jouw rol toch nog niet uitgespeeld is.

Maar de context is wel fundamenteel veranderd. Je positie is niet langer vanzelfsprekend en zal geregeld in vraag worden gesteld. Je kunt niet meer uitsluitend steunen op je functie. Gezag bouw je op door deskundigheid, betrouwbaarheid, transparantie en respect.

Tegelijk blijft de kern van leidinggeven dezelfde: beslissingen nemen wanneer dat nodig is.

En precies daar wordt het soms moeilijk.

Wie leiding geeft, neemt onvermijdelijk beslissingen waar niet iedereen gelukkig mee is. De belangen van cliënten, medewerkers en organisatie lopen nu eenmaal niet altijd gelijk. Soms moet één belang tijdelijk zwaarder wegen dan een ander.

Dat maakt leidinggeven niet altijd populair. Het kan zelfs eenzaam zijn.

Verwacht daarom niet dat leidinggeven je veel vrienden zal opleveren. Je opdracht blijft zoeken naar een werkbaar evenwicht tussen de belangen van cliënten, medewerkers en organisatie. Vaak zal één van die drie zich tekortgedaan voelen. Soms zal dat jou persoonlijk worden aangerekend.

Dat is een zware verantwoordelijkheid.

Ik hoop dan ook dat je voor die last, die je elke dag opnieuw draagt, vorstelijk wordt vergoed. Je verdient het.

Met vriendelijke groeten,

Johan Bastiaensen

]]>
https://blog.interactie-academie.be/opinie-debat/mag-een-leidinggevende-nog-leiding-geven/feed/ 0 23217
Mijn impostersyndroom https://blog.interactie-academie.be/opinie-debat/mijn-impostersyndroom/ https://blog.interactie-academie.be/opinie-debat/mijn-impostersyndroom/#respond Thu, 19 Mar 2026 13:41:43 +0000 https://blog.interactie-academie.be/?p=22833 “Dat is waarschijnlijk weer mijn impostersyndroom.” Zo antwoordt Pieter als ik terugkom op ons laatste gesprek. We spreken over zijn verlangen ergens bij te horen, maar niet te weten waar te beginnen.

Na een lange verkenning had ik hem vorige keer voorgesteld na te denken over de opleiding Politieke en Sociale Wetenschappen, als vrije student. Hij leek geprikkeld en enthousiast. En toch. Geen opzoekwerk. Geen stappen gezet.

Hij had me eerder al eens verteld hoe dat gevoel een imposter te zijn, hem ook was overvallen toen hij in de auto van de rijschool zat, klaar voor zijn eerste les.  Hij voelt zich een indringer, iemand die er niet hoort te zitten. Het klopt niet met het beeld dat ‘men’ hem steeds heeft voorgehouden.

‘Men’ ging er van uit dat Pieter nooit zou kunnen leren autorijden. Net zoals ‘men’ had aangenomen dat hij niet verder zou kunnen studeren. Niet zou kunnen werken. Niet zonder begeleiding zou kunnen. Eigenlijk heel veel niet.

Of iemand dat ooit letterlijk gezegd heeft, blijft een open vraag. Maar voor Pieter is het een voelbare realiteit, gekneed door tal van perspectieven op zijn situatie: bijzonder onderwijs, autisme, begeleiding, inkomensvervangende tegemoetkoming en een persoonsvolgend budget.  “Mensen hoeven het niet uit te spreken,” zegt hij. “Ik wéét gewoon hoe ze erover denken.”

Ik vraag wat dit impostersyndroom voor hem betekent. Hij zegt me dat hij daar nooit bewust over heeft nagedacht en kaatst de vraag weer terug. “Wat denk jij dat het is?”

In een vlaag van filosofische overmoed vraag ik me luidop af of het impostersyndroom niet een soort emotionele ‘veiligheidsrem’ is die de status quo bewaakt. Voor wie het dan precies zo belangrijk is dat die status quo behouden blijft… dat is weer wat anders.

We spreken over werk en zingeving. Veel mensen halen betekenis uit wat ze professioneel doen. Dat geldt niet voor Pieter, want hij werkt niet. Niet omdat hij lui is. Met enkel een getuigschrift van het bijzonder onderwijs op zak, heeft hij ondervonden dat zijn kansen op een job die aansluit bij zowel zijn noden als zijn interesses en mogelijkheden verwaarloosbaar klein zijn.

Werken omdat het nu eenmaal hoort, ongeacht het soort werk, voelt aan als onrecht. En dat boven op het onrecht dat hij heeft ervaren wanneer hij naar zijn gevoel bestempeld werd met de diagnose autisme. En hoe hij werd gedwongen te functioneren binnen een systeem dat aansluit op de diagnose, en niet op wie hij is, wat hij kan en wat hij nodig heeft.

Mijn filosofische bui houdt aan en ik floep eruit dat een inkomensvervangende tegemoetkoming door velen als helpend ervaren wordt, maar ook lijkt te veronderstellen dat mensen zich zo inschrijven in het discours rondom een handicap.

“Exact!”, zegt hij. “En daar wringt het dus bij mij!”. Pieter zit klem tussen een arbeidsmarkt die naar zijn gevoel geen plaats voor hem heeft, en een systeem waarin hij enkel meer zelfstandigheid kan uitbouwen als hij zich ‘gehandicapt’ laat noemen.

Na ons gesprek blijf ik achter met een dubbel gevoel. Enerzijds hebben we taal gevonden voor zijn worstelingen. Wat hij voelt kunnen we begrijpen vanuit de impact van sociale structuren en maatschappelijke dialogen, en dat lijkt hem te steunen in het onrecht dat hij ervaart.

Anderzijds hoor ik de woorden van een collega door mijn hoofd echoën: “Je doet cliënten geen deugd door ze te laten vechten tegen sociale vertogen.”

Zet ik Pieter nog meer vast in een positie van machteloosheid? Ik wil hem net uitnodigen, misschien zelfs uitdagen, om een eigen positie in te nemen tegenover die sociale vertogen. Maar volstaan woorden en taal om dat te kunnen?

Pieter voelt zich alleen staan in zijn worsteling. Hoewel hij beseft dat er heel wat groepen mensen zijn die zich onderdrukt voelen door wat de norm hen voorschrijft, wil hij niet nog maar eens geassocieerd wordt met ‘minderheidsgroepen’ die samen op de barricades gaan staan. Hij wil erkend worden in wie hij is, gezien worden in wat hij kan en gesteund worden in de richting die hij uit wil.

Ik denk terug aan een essay van Charles Taylor uit 1992, met als titel ‘Politics of Recognition’. Hij beschrijft hoe in onze Westerse maatschappij mensen en groepen in hun zoektocht naar erkenning vaak terecht komen in een spanningsveld tussen de behoefte ‘gelijk’ behandeld te worden en de behoefte ‘gezien te worden in hun uniciteit’.

Ik herken het in Pieters verhaal. Pieter wil zich gezien voelen in zijn ‘anders’ zijn (met een kleine a), zonder dat men hem ‘Anders’ maakt (met een grote A). Hij wil geen uitzondering zijn, geen ‘geval’, geen lid van een minderheidsgroep dat samen ‘op de barricades’ moet. Hij wil gewoon erbij horen, maar dan wel als zichzelf.

]]>
https://blog.interactie-academie.be/opinie-debat/mijn-impostersyndroom/feed/ 0 22833
Psychische zorg in oorlogstijd: een online uitwisseling met Charkiv https://blog.interactie-academie.be/interview/psychische-zorg-in-oorlogstijd-een-online-uitwisseling-met-charkiv/ https://blog.interactie-academie.be/interview/psychische-zorg-in-oorlogstijd-een-online-uitwisseling-met-charkiv/#respond Wed, 18 Feb 2026 09:58:06 +0000 https://blog.interactie-academie.be/?p=22426 Chris Noorduin en Maryana Hnyp werken als psychotherapeut en counselor in het vluchtelingenteam van CGG VBO in Leuven. Ik ontmoet hen voor een gesprek over hun online intervisies met psychiaters uit Charkiv.

Neergezeten in de wachtzaal komen flarden Oekraïens me tegemoet – Maryana laat haar laatste cliënten buiten. We nemen de trappen naar boven voor een lokaal dat voldoende geluidsbestendig is. Aan de overzijde van de straat halen bulldozers de oude Sint-Rafaëlsite neer.

Het gerommel op de achtergrond zal mij nauwelijks uit mijn concentratie halen het komende uur, ik zit op het puntje van mijn stoel. Stagiaire Francesca schuift mee aan. “Vermeld dat zeker,” zegt Chris. “We willen onze stageplaatsen bekend maken: zowel voor assistent-psychiaters als psychologen. Er zijn weinig plekken in Vlaanderen waar je een echte transculturele ervaring kan opdoen.”

In 2019 richtte Chris samen met Rédouane Ben Driss een team op dat werkt met mensen met een vlucht- of migratiegeschiedenis. “We hebben één been binnen en één been buiten,” vertelt hij. “Naast de consultaties in het CGG zijn we actief buitenshuis, bijvoorbeeld in opvangcentra of bij pleegzorg. We geven ook intervisies. In samenwerking met KU Leuven en UPC Kortenberg hebben we de vorming transculturele gezondheidszorg opgericht.

In 2022, na de grootschalige Russische invasie, vroeg de stad Leuven ons om de psychosociale zorg voor Oekraïense ontheemden te coördineren. Een totaal nieuwe opdracht. In onze zoektocht naar hoe we dat zouden aanpakken, ontmoette ik Maryana.”

Maryana, geboren in Oekraïne maar al meer dan twintig jaar in Leuven, brengt met haar dubbele achtergrond boeiende culturele inzichten binnen. “Mijn opleiding en ervaring ligt in de theologie en counseling met interculturele en interreligieuze koppels. Daarnaast specialiseerde ik me in rouw en verlies. Toen de oorlog uitbrak voelde ik, zoals veel Oekraïners in de diaspora, machteloosheid. Werken in dit team voelde als een geschenk: zo kon ik toch bijdragen.”

Aan het begin van de oorlog kwam Chris in contact met Oleg, een jonge Oekraïense psychiater die zijn familie in veiligheid wilde brengen in Leuven. Hij worstelde met vragen: kan ik hier werken? Blijf ik of keer ik terug?

Chris: “Hij wilde zijn verantwoordelijkheid opnemen in het psychiatrisch ziekenhuis, maar twijfelde om zijn gezin achter te laten. Een verscheurende keuze, die exemplarisch is voor veel Oekraïense mannen: veiligheid voor het gezin of voor het land.

Oleg koos om terug te gaan naar Kharkiv. Zijn familie is inmiddels in Parijs. Hij bezoekt hen af en toe, en intussen hielden we contact. Zo ontstond uiteindelijk het idee: zouden we niet af en toe online intervisies organiseren?”

Intervisies met een frontlinie

Sindsdien ontmoeten Chris en Maryana regelmatig Oleg en enkele collega-psychiaters uit de regio Charkiv. De inzichten die daaruit voortkomen nemen ze mee naar hun team.

Chris: “Voor de oorlog was het een gewoon psychiatrisch ziekenhuis. Ze deden goed werk, bijvoorbeeld met verslavingsproblematieken of depressie. Maar de oorlog heeft een enorme impact gehad. Dat zie je aan de huidige patiëntenpopulatie: veel soldaten met ernstige trauma’s, sommigen keren terug van het front, anderen die binnenkort weer moeten vertrekken.

Daarnaast zijn er de families van deze soldaten, en hun kinderen. Vaak spelen er vragen zoals: ‘Papa komt terug en gedraagt zich zo vreemd. Hoe gaan we daarmee om?’ Er is ook veel individueel en collectief verlies. Regelmatig trekken ze eropuit naar gebieden die onder bezetting hebben geleefd en nog weinig vertrouwd zijn met geestelijke gezondheidszorg, vooral in dorpen in Oost-Oekraïne.”

Maryana: “Vanuit historische achtergrond zijn Oost- en West-Oekraïne erg verschillend. Oost-Oekraïne stond lang onder Russisch bewind, West-Oekraïne onder landen als het Pools-Litouwse Gemenebest, Hongarije en Oostenrijk. Dat had een sterke invloed in de ideeën over democratie en vrije meningsuiting.

Door de oorlog vervagen die verschillen echter. Mensen in Oost-Oekraïne ervaren zelf ook hoe onlogisch het is wat Rusland doet. Ze zijn vooral bezig met overleven.”

Samenspraak: “Waar ligt Charkiv in dit geografisch en politiek speelveld?”

Maryana: “Charkiv ligt in Oost-Oekraïne, vlakbij de Russische grens. Het was ooit een grote, bruisende stad van 2,5 miljoen inwoners, met talrijke universiteiten en een rijk intellectueel en cultureel leven. Inmiddels is de stad grotendeels verwoest, maar de trots en veerkracht blijven aanwezig.

Dat merk je ook in onze intervisies. Ondanks de oorlog werken de mensen door. Ze brengen hun kinderen naar opvanglocaties waarvan ze niet weten of ze veilig zijn, want Rusland valt burgerdoelen aan.

De psychiaters en hun collega’s proberen logica terug te brengen in het leven van mensen die dat nauwelijks nog kunnen zien. Tegelijkertijd moeten ze zelf betekenis blijven geven aan wat hen overkomt. Wanneer ze naar ons uitreiken, zijn ze op zoek naar connectie met de normaliteit van het leven, naar een gevoel dat het leven, ondanks alles, nog doorgaat.”

Samenspraak: “Brengen zij ook iets over hun persoonlijke geraaktheid in tijdens de intervisies?”

Chris: “Absoluut, inmiddels wel. In het begin was het heel formeel, alsof ze een examen kwamen afleggen. Maar na drie jaar samenwerken is er een band, een sympathie, een vriendschap ontstaan. Soms vragen ze: ‘Chris, hoe is het weer in België?’ of ‘Hoe was je vakantie?’ Het voelt vreemd om daarop te antwoorden. Hoe kan ik zeggen dat mijn vakantie fijn was, terwijl zij de hele nacht wakker lagen door de drones?

Voor hen is het een teken van het gewone leven. Ze vinden het prettig om te horen dat mijn dochter die ochtend niet luisterde, maar ook wanneer ik iets zeg over bijvoorbeeld een gebombardeerde kleuterschool. Dan voelen ze: ‘Ons verhaal is bekend bij jullie.’ Die witnessing is erg belangrijk.

Tegelijk blijft het ongemakkelijk, net zoals bij ons werk met vluchtelingen hier. We ervaren voortdurend onze geprivilegieerde positie tegenover de mensen die we ontmoeten. Dat ongemak is een vast onderdeel van ons werk waar we ons steeds in moeten verhouden.”

Inzicht in oorlog en trauma

Chris: “De uitwisseling heeft me veel geleerd over oorlog: wat oorlog is en wat het doet met een samenleving. Scholen, bibliotheken, universiteiten… alles wordt doelbewust gebombardeerd. Het culturele weefsel van een samenleving verdwijnt, terwijl juist dat weefsel nodig is om te kunnen leven, rouwen, studeren.

Het gevoel van veiligheid verdwijnt als je je kinderen niet naar school kunt sturen, en dat heeft ook economische gevolgen: hoe kun je werken als de kinderen thuis zijn? Hoe meer zij hierover vertellen, hoe beter ik begrijp wat oorlog doet met families, opvoeding en hechting. En natuurlijk neem ik dat mee naar andere casussen: mensen uit Palestina, Soedan, Syrië, Afghanistan… Het verrijkt ook ons team. Op die manier leren wij heel veel van die intervisies.”

Samenspraak: “Hoe zijn de inhoudelijke klinische uitwisselingen? Wat voor kwesties dragen ze aan?  

Maryana: “Ze komen altijd voorbereid, ondanks al deze abnormaliteit van hun leven. In het begin brachten ze casuïstiek over verstoorde slaap, angst, paniekaanvallen. Maar naarmate de oorlog voortduurt, merk je hoe de klachten steeds zwaarder worden.”

“Op een dag deelden ze een verhaal dat me erg geraakt heeft. Het ging over een soldaat die voor een week of twee thuis was, voordat hij opnieuw naar het front moest. Hij zocht hulp omdat hij niet meer sliep en gedrag begon te vertonen dat hij niet kon verklaren.

Op een ochtend werd hij wakker in het bos. Zijn vrouw zat naast hem op haar knieën, met haar handen op de rug gebonden. Op dat moment besefte hij dat hij zichzelf niet meer onder controle had — dat hij overal gevaar zag, zelfs op de plek die veilig zou moeten zijn: thuis. Hij zat midden in een herbeleving, een dissociatieve episode. De collega’s presenteerden deze casus en vroegen onze suggesties.

Natuurlijk deelden we onze ideeën, maar tegelijkertijd voelde ik hoe confronterend het is dat dit hun dagelijkse realiteit is. Zo ontstond het besef dat het waardevol kan zijn om kennis en ervaring van elders te verzamelen — kennis die iets toevoegt aan wat wij zelf kunnen bieden en die hen helpt hun cliënten beter te ondersteunen.

Want waar zij mee geconfronteerd worden, gebeurt letterlijk ‘in het moment’: ze moeten snel reageren, een behandeling plannen, beslissen wat mogelijk is in een kort tijdsbestek. Wat kun je doen voor iemand die slechts twee weken thuis is voordat hij weer vertrekt?”

Samenspraak: “Dat lijkt me een erg specifieke context, nauwelijks te vergelijken met de situaties waarmee wij doorgaans werken.”

Chris: “Ook bijvoorbeeld op het vlak van medicatie. Je wil die mannen, die straks opnieuw moeten vechten, niet sederen. Maar wat geef je dan wel? Dat zijn heel specifieke klinische vragen.”

Maryana: “Je zou ook kunnen ingrijpen in het ruimere proces: vragen of hij wat meer tijd kan krijgen om te stabiliseren. Maar toen bleek dat die man zelf zo snel mogelijk wilde terugkeren — uit plichtsgevoel, uit loyaliteit. Als hij op het front geen innerlijke rust kon vinden, vond hij die daar evenmin.

Op dat punt begonnen we na te denken over hoe de collega’s van de intervisie te verbinden met kennis die elders bestaat, in plaats van te veronderstellen dat wij alle antwoorden hebben. Zo ontstond het idee om webinars te organiseren in samenwerking met andere organisaties.”

Een aanvullend aanbod van kennisdeling

Chris: “Het idee is dat we de intervisies gewoon laten doorgaan, maar daarnaast parallel iets specifiekers organiseren. Dat doen we zonder budget — we krijgen hier geen subsidie voor. Het is al drie jaar puur ‘bricolage’, maar wel ontzettend waardevol. Ik leer er zelf veel uit en het geeft echt voldoening.

In zekere zin toont dit dat je niet altijd moet wachten op subsidies. Als we dat hadden gedaan, waren we nu drie jaar later, terwijl we intussen al heel wat mooi werk hebben verricht. En wie weet kan de overheid daar ook iets van opsteken — eerst kijken wat er in de praktijk al werkt, en dán beslissen waar middelen naartoe moeten. In plaats van andersom.”

Samenspraak: “Wat voor webinars zouden jullie graag organiseren, en welke organisaties zouden hieraan meewerken?

Chris: “De Interactie-Academie zal een webinar verzorgen rond systemisch werken met trauma binnen familierelaties: de geweldspiralen die kunnen ontstaan, en hoe je daar als hulpverlener mee omgaat. We werken hiervoor samen met Kris Decraemer, die veel expertise heeft op dit terrein.

Voor het luik rond oorlogstrauma zijn we in gesprek met Harvard University. Zij hebben uitgebreide ervaring in het werken met veteranen — zowel op medicamenteus, psychiatrisch als therapeutisch vlak — en ook rond de meer collectieve dimensies van trauma.

Het voordeel van webinars is dat we de hulpverleners in Oekraïne niet vragen om uitgebreid materiaal te lezen; daarvoor hebben ze de mentale ruimte niet. Wat ze nodig hebben, zijn live online ontmoetingen: gesprekken, nieuwe inzichten, uitwisseling. Heel concreet en direct toepasbaar.”

Daarnaast proberen we ook ander ondersteunend materiaal aan te reiken. Zo hebben we contact met een Nederlandse organisatie die een boekje uitgaf voor kinderen van wie de vader terugkeert van het front met traumaklachten. Het legt in begrijpelijke taal uit wat er aan de hand is.

Dat materiaal is intussen ook in het Oekraïens beschikbaar. Dat zijn kleine, maar betekenisvolle interventies. Op die manier proberen we een netwerk op te bouwen tussen België, Nederland, Harvard — een soort knooppunt waar de collega’s in Charkiv bij terechtkunnen.”

Samenspraak: “Wat hebben jullie uit deze samenwerkingen geleerd?”

Chris: Harvard bracht ons het inzicht dat oorlogsvoering voortdurend verandert. Vroeger waren er loopgraven, later andere tactieken, nu spelen drones een centrale rol. Die constante aanwezigheid — het scannen van de lucht, het geluid — creëert een nieuw soort trauma. Het is geen eenmalig bombardement, maar een permanente dreiging, waardoor mensen in voortdurende hypervigilantie en hyperarousal leven.

Slecht slapen en elk geluid als gevaar interpreteren is bijna ‘genormaliseerd’. Het is een normale reactie op een abnormale situatie, maar doordat de situatie zo lang duurt, is er nauwelijks mogelijkheid tot herstel.

Dit uit zich in geagiteerd gedrag, dissociatie, agressie of afvlakking, en soms verslavingsproblemen als manier om spanning te dempen. Het is een nieuw type trauma, waarin Harvard ervaring heeft. Zij zullen hier ook training over geven.”

Oude antwoorden op nieuwe vragen

Chris: “Maar soms duiken ook de oude inzichten opnieuw op: spiritualiteit, religieuze verklaringen…”

Maryana: “Precies. Dat was voor ons een opvallende observatie. Ik herinner me een casusbespreking aan het begin van de zomer. Wij hadden het over ‘humaniserende effecten’ in therapie, maar zij begonnen spontaan te spreken over God.

Geloof biedt hoop, en gebed werkt soms meer ondersteunend dan medicatie. Spiritualiteit en religie zijn dan geen bijkomende gespreksthema’s, maar een echte hoeksteen in hoe ze geestelijke gezondheidszorg vormgeven.”

Chris: “Ik denk dat dit ook te maken heeft met de rechtstreekse confrontatie met het kwaad. Wij kunnen theoretisch nadenken over ‘het kwaad’, maar zij maken het elke nacht op een brute manier mee.

Dat raakt je mensbeeld en wereldbeeld tot in de kern. Dan is het bijna vanzelfsprekend dat je teruggrijpt naar religie om antwoorden te zoeken die je in de reguliere therapeutische praktijken niet vindt.”

Samenspraak: “Was Oekraïne voor de oorlog al een sterk religieus land?”

Maryana: “Ja, Oekraïne was altijd al relatief religieus, of beter: spiritueel. Er is geen dominante staatsgodsdienst, volgens mij als enige land in de post-Sovjetregio. Alle religies hebben dezelfde status; op dit moment zijn er zo’n 34 religies en religieuze bewegingen officieel geregistreerd.

Spiritualiteit zit verweven in het DNA van mensen, in hun overtuigingen en in hoe ze betekenis geven aan thema’s zoals kwaad, lijden en dood. Dat zijn onderwerpen die zich moeilijk laten vangen in de taal van mensenrechten of juridische logica. Spiritualiteit biedt een andere woordenschat, ook wanneer het gaat over veerkracht en hoop.

Als je dat element wegneemt, of doet alsof het niet bestaat, wordt het moeilijk. Want net daar zoeken mensen hun antwoorden. Wij proberen te combineren: we luisteren, reiken onze visie aan, maar tegelijk heb ik soms het gevoel dat wij meer van hen leren dan zij van ons.”

Een oorlog zonder einde?

Chris: “Het is interessant om dit te vergelijken met de situatie van mensen hier in België. Ook voor hen duurt de oorlog lang; het uitblijven van perspectief begint zwaar te wegen op gezinnen. Het is een samenleving waarin veel families uit elkaar zijn gerukt, en hoe langer dat duurt, hoe moeilijker het wordt.

Soms vergelijk ik het met een botbreuk: het bot kan herstellen, maar soms op een kwetsbare of misvormde manier. Zo zoeken deze gezinnen naar nieuwe stabiliteit. Aanvankelijk houden ze beide opties open: twee scholen, twee huizen — één hier, één in Oekraïne.

Maar wanneer kies je om je volledig te richten op het leven hier? Dat zijn vragen waar ze nu mee worstelen. In het begin voelde ik veel vitaliteit, hoop en strijdvaardigheid, maar dat is moeilijk vol te houden.”

Maryana: “Je ziet dat ook breder in de samenleving, in de solidariteit die men toont. Er is een zekere ‘Oekraïne-moeheid’. Het niveau van betrokkenheid is niet meer als voorheen.”

Samenspraak: “Is de vraag dan hoe dit vol te houden? Zowel in Oekraïne als voor jullie als team?”

Maryana: “Ja, en ik denk dat de intervisies onze collega’s in Charkiv en ons hier in België daarbij echt helpen. Het zorgt ervoor dat we niet uitgeput raken. Ze houden ons verbonden met wat er daar gebeurt — niet via tv of nieuwsberichten, maar via menselijke uitwisseling. Door de gesprekken, de wederzijdse hulp die we geven én ontvangen.”

Veiligheidsnetten weven

Maryana: “In deze fase is het belangrijk manieren te vinden om met rouw en verlies om te gaan. Mensen verliezen familieleden, maar ze verliezen ook iets dat breder is dan henzelf: ideeën over vrijheid, over wat een gelukkig leven betekent, over wat democratie eigenlijk inhoudt.

Om zulke vormen van verlies te dragen is collectiviteit nodig. Mensen moeten erkenning kunnen voelen, ervaren dat er getuigen zijn, dat er verbinding is met anderen.”

Chris: “Je ziet inderdaad dat mensen meer nood hebben aan een soort collectieve onderlaag die betekenis geeft. Maar tegelijk is die onderlaag zelf beschadigd. Ze wordt verwoest door de oorlog: scholen, universiteiten, historische gebouwen worden gebombardeerd, maar ook het sociale weefsel – gezinnen die uit elkaar gerukt worden, veel mensen die overleden zijn.

Daardoor kan die dragende laag haar functie minder goed vervullen. En omdat er minder collectieve steun is, worden individuele processen van rouw en trauma bemoeilijkt. Het gevolg is dat individuele psychische problemen zwaarder worden.”

Maryana: “Daarom besteden we veel aandacht aan groepsprocessen en gemeenschapsvorming. In de collectieve opvang was er bijvoorbeeld een kindvriendelijke ruimte ingericht waar kinderen konden spelen en ondertussen spraken we met de moeders in een groep, samen met een collega van SOS Kinderdorpen. Dan zie je hoe verhalen in die groep een plaats krijgen.

Zoals een vrouw die haar man verloor en zich afvraagt hoe ze dit aan haar kinderen moet vertellen. Samen droegen deze moeders zorg voor de kinderen die hun vaders verloren hebben. Op dezelfde manier gingen ze ook aan de slag met het weven van ‘veiligheidsnetten’ voor de soldaten. Letterlijk, aan grote weefgetouwen, als gezamenlijk project om naar Oekraïne te sturen.”

Samenspraak: “Dat lijkt op wat jullie nu proberen te doen met het intervisieproject: samen met andere organisaties een breder netwerk ‘weven’ dat kan ondersteunen en dragen. Ik hoop dat het een stevig vlechtwerk mag worden, en dat dit artikel daar een bijdrage aan kan leveren.”

 

]]>
https://blog.interactie-academie.be/interview/psychische-zorg-in-oorlogstijd-een-online-uitwisseling-met-charkiv/feed/ 0 22426
Hoe het spreken over, onderdeel is van: wat doet het teamoverleg met de hulpverlening? Deel 3: zorgethiek of regelethiek? https://blog.interactie-academie.be/werk-en-organisatie/hoe-het-spreken-over-onderdeel-is-van-wat-doet-het-teamoverleg-met-de-hulpverlening-deel-3-zorgethiek-of-regelethiek/ https://blog.interactie-academie.be/werk-en-organisatie/hoe-het-spreken-over-onderdeel-is-van-wat-doet-het-teamoverleg-met-de-hulpverlening-deel-3-zorgethiek-of-regelethiek/#respond Tue, 15 Apr 2025 08:38:57 +0000 https://blog.interactie-academie.be/?p=20468 Binnen de hulpverlening wordt het woord ‘patiënt’ steeds meer geschuwd. Hulpverleners gebruikers steeds vaker het woord ‘cliënt’ of laten zelfs dat woord achterwege tussen wie een vorm van hulp ‘verleent’ en wie die hulp ‘krijgt’.

Ook het collegiaal overleg is daarmee aan verandering onderhevig. Besprekingen zonder de aanwezigheid van cliënten – we hanteren voor het gemak maar even deze term – ondergraven in deze visie immers een echt ‘horizontale’ samenwerking. Dat moet dus anders. Steeds meer teams en organisaties perken daarom teamoverleg zonder cliënten in of bespreken enkel nog mét hen hoe de hulpverlening eruit moet zien.

We juichen de huidige aandacht voor het teamoverleg toe. Immers, dit overleg heeft veel impact op de hulpverleningspraktijk. De ommezwaai die nu wordt gemaakt is echter soms wat te drastisch en ongenuanceerd. Verlopen alle teamvergaderingen dan telkens hetzelfde? Zijn alle hulpverleningscontexten aan elkaar gelijk? Leidt het overleg zónder cliënten automatisch tot ongelijkwaardigheid en mét cliënten linea recta tot gelijkwaardigheid?

Wanneer teams van hulpverleners met elkaar overleggen, voeren ze heel gevarieerde types gesprek. Daarmee is ook de invloed van het teamoverleg op het hulpverleningsproces bijzonder gevarieerd. Daarom moeten we ons de vraag stellen: hoe beïnvloedt het teamoverleg dat hulpverleners voeren – met en/of over cliënten – nu precies de samenwerking? En wanneer we daar zicht op hebben: hoe organiseren we dan ons teamoverleg? En wanneer en waartoe betrekken we cliënten hierin?

We zoeken graag mee naar antwoorden op deze vragen en willen hulpverleners ondersteunen om de wisselwerking tussen het teamoverleg en de hulpverleningspraktijk te onderzoeken en eventueel bij te sturen. Zelf hebben we een achtergrond als teamlid, maar ook als procesbegeleider, supervisor en opleider. Op basis van onze ervaring en analyses, stellen wij voor dat het teamoverleg zo georganiseerd wordt dat hulpverleners manoeuvreerruimte ervaren in hoe ze beslissingen nemen, waar ze hun beslissingen op baseren en waar ze tijdens het overleg aandacht aan besteden.

Deze stelling werken we uit in een aantal bijdragen. Centraal staat een driedimensionale ordening die zichtbaar maakt op welke ‘assen’ het teamoverleg doorgaans gesitueerd wordt. Wanneer en waartoe we cliënten in overleg betrekken wordt in een laatste blogbijdrage geëxploreerd.

Deze ordening ziet er als volgt uit:

Onze eerste bijdrage richtte zich op de eerste dimensie: de as tussen hiërarchische en collaboratieve besluitvorming. In onze tweede bijdrage bespraken we de as tussen de aandacht voor de cliënt en de aandacht voor de hulpverlener. In deze derde bijdrage richten we ons op het verschil tussen een gesprek dat vertrekt vanuit een regelethisch of vanuit een zorgethisch perspectief.

Regelethiek vertrekt vanuit algemene regels en principes

Het woord zegt het al: ‘regelethiek’ gaat over het volgen van vastgelegde regels en principes. Regelethiek is zichtbaar in beroepscodes en richtlijnen voor professionals, teams en organisaties. Het zijn regels die beschrijven wat wel en niet mag, kan en moet. Ze vormen voor teamleden de basis voor een ethisch juist handelen doorheen een hulpverleningsproces.

Wanneer een jongere wordt aangemeld bij een jeugdzorginstelling wordt er gekeken welke leefgroep het meest geschikt is en of deze jongere voldoet aan bepaalde criteria (denk aan leeftijd, geslacht, diagnose of hulpverleningsbehoeftes). De teamleider van een afdeling uit de organisatie ontvangt de aanmelding en het plaatje klopt: het meisje past binnen de leeftijdscategorie, ze loopt vast op meerdere levensgebieden en heeft geen veilige, alternatieve verblijfplaats.

Deze criteria zijn een vorm van regelethiek en omschrijven wie recht heeft op zorg bij de betreffende instelling. En ook doorheen het verblijf van jongeren wordt het handelen van hulpverleners gekleurd door een regelethisch perspectief.

De afdeling van de teamleider heeft bijvoorbeeld vastgelegd dat zij inzetten op ‘gedeelde zorg’. Dit betekent dat het principe wordt gehanteerd dat de instelling niet centraal staat in de zorg voor de jongere, maar de zorgverantwoordelijkheid deelt met een professioneel en niet-professioneel netwerk. Van gedeelde opvattingen over veiligheid, medicatie tot besluitvorming: regelethiek behelst dus tal van onderwerpen.

Een belangrijke kracht van dit soort ethiek is dat het teamleden houvast en ‘common ground’ biedt. Het maakt het mogelijk om te zeggen: ‘zo werken wij hier’. Regelethiek biedt cliënten en professionals zicht op wanneer het passend is om beroep op een team te doen en helpt om te omschrijven wat het hulpverleningsaanbod is. Regelethiek draagt zo bij aan duidelijkheid, eenduidigheid en afstemming binnen een team maar ook tussen een team en externen.

Zorgethiek vertrekt vanuit persoonlijke of professionele waarden en opvattingen

Bij een zorgethisch perspectief vormen de eigen morele afwegingen van de hulpverlener de basis van handelen. Het zijn afwegingen die niet vertrekken vanuit vastgelegde algemene regels en principes maar vanuit de waarden en opvattingen van de professional. Deze denkt na over wat goed is voor diens cliënt in een welbepaalde situatie en welke handelingen daarbij passen. Zorgethische perspectieven zijn daarmee ook heel divers.

Bij aanmelding schat de teamleider in of hun hulpverleningsaanbod past bij wat er nodig is bij deze jongere. Ze vermoedt dat intensieve contextbegeleiding noodzakelijk is voor een succesvol proces, maar weet dat die mogelijkheid er niet is binnen de organisatie. Ze vraagt zich dan ook af: kunnen wij wel voldoende doen voor haar?

Een teamlid hoort van de aanmelding. Zij denkt na over hoe de groepsdynamiek op de groep nu is en stelt zich de vraag: kunnen wij deze jongere wel goed helpen nu het zo onrustig is binnen de groep? 

Een tweede teamlid is erg geraakt door de schrijnende geschiedenis van de jongere, temeer omdat ze vindt dat de andere hulpverlening tot op heden heeft gefaald. Ze raakt geactiveerd en strijdvaardig en wil aan de jongere laten zien dat er ook goede, professionele zorg is.

Complexe afwegingen

Er zijn dus belangrijke verschillen tussen regel- en zorgethiek. Regelethiek omschrijft wat goed handelen is van alle teamleden, terwijl zorgethiek vertrekt vanuit een individueel teamlid die een eigen ethisch perspectief inneemt. Regelethiek vertrekt vanuit een algemeen denken over cliënten terwijl zorgethiek geldt voor één enkele cliënt’. Regelethiek is relatief stabiel en schrijft voor hoe teamleden moeten en mogen handelen. Zorgethiek daarentegen is erg beweeglijk en ontstaat in de actualiteit van een specifieke situatie.

Soms voelen hulpverleners dat deze vormen van ethiek mooi hand in hand gaan. Maar vaak is het niet zo zwart wit én niet zo helder. Omdat regel- en zorgethiek vaak niet zomaar op één lijn zitten, hebben hulpverleners dus vaak complexe afwegingen te maken.

De jongere is toegelaten op de groep maar heeft een beperkt netwerk: alleen een grootmoeder en grootvader zijn nog nabij. Het meisje is sterk aan hen gehecht en gaat graag in de weekends bij hen op bezoek. Tegelijkertijd zijn er grote zorgen over de situatie van de grootouders. Ze drinken bovenmatig, hun huis is ernstig vervuild en er is weinig voedzaams te eten.

Vanuit een regelethisch perspectief hoort het team in te zetten op gedeelde zorg en dus op het zoveel mogelijk betrekken van het netwerk van de grootouders in de begeleiding. Vanuit zorgethisch standpunt benadrukt een collega echter haar ongerustheid over de zorg die werkelijk opgenomen kan worden door deze grootouders. Een andere collega springt in en beschrijft dan weer de sprankelende ogen van de jongere wanneer ze wordt opgehaald door haar grootvader.

Complex aan deze afwegingen is dat een ‘emotioneel steunend netwerk’ wordt afgewogen tegenover ‘veiligheid, hygiëne en gezondheid’. Het zijn immers hele diverse belangen die vanuit hele verschillende achtergronden vertrekken.

Overzicht en variatie 

Wanneer elke medewerker er bij iedere jongere eigen keuzes en handelingswijzen op nahoudt, kan het voor jongeren op de leefgroep erg onduidelijk worden tot welke hulpverlening ze zich verhouden en hoe ze deze variatie aan regels precies kunnen begrijpen. En ook voor medewerkers kan de zorg dan erg onoverzichtelijk worden en kan de samenwerking binnen en tussen organisaties onder druk komen te staan. Teamleden kunnen dus niet zo gemakkelijk denken: ‘mijn collega houdt zich aan het vaste wasmoment om de planning niet in de soep te laten draaien, maar ik kies er zelf liever voor om daarin veel speelruimte te geven’.

Anderzijds is het ingewikkeld dat (soms erg verschillende) collega’s voor (soms erg verschillende) jongeren altijd en overal eenzelfde aanpak voorop te stellen. Ook dat kan de samenwerking bemoeilijken.

Het teamoverleg is een uitgelezen mogelijkheid voor teamleden om dit soort ingewikkeldheden te bespreken. Het is een plek waar teams kunnen nadenken over het gedeelde standpunt dat ze willen behartigen.

Diverse teamleden reageren op het vraagstuk uit het voorbeeld vanuit een regelethisch denken. Ze stellen een algemeen, principieel denken voorop: 

‘Veiligheid staat voor ons toch altijd bovenaan?’ 

‘Dit soort weekenden zijn onmogelijk te verantwoorden naar de buitenwereld. Wanneer verwijzers zien dat wij dit doen, dan hangen we!’

‘Als we dit bij Elisa toestaan, dan moeten we dat bij iedereen toestaan.’

Er zijn ook teamleden die meer zorgethische afwegingen delen. Zij gaan individueel in op de specificiteit van deze cliënt:

‘Wat zou het voor Elisa betekenen wanneer we de enige relaties die er voor haar nog toe doen zo frustreren?’ 

‘Ik denk dat we dit een kans moeten geven omdat deze grootouders anders Elisa misschien compleet loslaten.’

‘Ik steek mijn hand ervoor in het vuur: wanneer we Elisa dit ontnemen, zal onze samenwerking met haar mislopen. En dat meisje heeft al zoveel voorzieningen gezien! Ik geloof niet dat ze nog ergens anders welkom is.’

Cruciaal maar niet vanzelfsprekend

Teamoverleg op de dimensie zorg- en regelethiek wordt dus vaak gekenmerkt door verschillende standpunten waarin verschillende belangen behartigd worden. Teamleden verschillen in de perspectieven waar ze aandachtig voor zijn en bijgevolg ook de effecten die zij in deze kwesties naar voor trekken.

Hoewel we soms geneigd zijn om te fronsen bij gesprekken waarin hulpverleners het niet eens zijn, om deze onenigheid als lastig en misschien zelfs nefast te bestempelen, is deze juist cruciaal. Wanneer teamleden verschillen in de belangen (en dus ook effecten) die ze vooropzetten, dragen ze immers bij aan een proces waarin de brede waaier aan betekenissen die een beslissing kan hebben voor diverse betrokkenen, in kaart wordt gebracht.

Op deze wijze kan een team hun bewegingsruimte – mét de mogelijkheden en ingewikkeldheden – overzien en kunnen ze zich vervolgens bewust positioneren. Hoe nauwer deze waaier, hoe meer belangen worden ontkend en niet meegewogen in het besluitvormingsproces.

De samenkomst van regelethiek en zorgethiek binnen teamoverleg leidt dus vaak tot polyfonie of meerstemmigheid. En, hoewel meerstemmigheid cruciaal is, is het zeker niet altijd vanzelfsprekend om deze te behartigen. Soms kan een verbredende zoektocht namelijk kantelen en kunnen teams of teamleden onderling in polariserende dynamieken belanden. Diverse factoren kunnen leiden tot een druk op een team en hen ontmoedigen om steeds opnieuw de complexe, gevarieerde regel- én zorgethisch standpunten in ogenschouw te nemen.

Eenstemmigheid door bezorgdheden, cultuur en kader 

Grote, aanhoudende bezorgdheden omtrent veiligheid kunnen teams doen verstarren in overleg. Zo zal een team zich wellicht anders bewegen in een eerste teamvergadering over de suïcidaliteit van een jongere dan wanneer ze al zes maanden brainstormen over hoe ze de veiligheid van een jongere kunnen borgen en deze ondertussen pogingen tot suïcide blijft ondernemen. Waardevolle zorgethische afwegingen verdwijnen dan soms naar de achtergrond en maken plaats voor een strikte regelethische focus. Of andersom verdwijnen regelethische krijtlijnen op de achtergrond en worden er alleen nog maar zorgethische afwegingen – los van een algemeen kader – bepalend in hoe er wordt gehandeld.

Naast een druk op een team, kan er ook een cultuur met bepaalde omgangsvormen en opvattingen in teams ontstaan waarin het standvastig vasthouden aan regelethiek wordt gezien als ‘good practice’ en waarin er steeds naar eensgezindheid wordt geijverd. Op één lijn staan, allen samen de vooropgestelde regels behartigen, wordt in zulke teams gezien als goede zorg verlenen. Verschillen in standpunten die worden ingenomen in overleg, wordt geschuwd en geproblematiseerd.

Of andersom kan een team, vanuit een gedrevenheid van het telkens opnieuw voor iedere cliënt ‘zorg op maat’ aanbieden, ook geleidelijk aan zicht verliezen op het kader waarbinnen ze werken. Ze kunnen terecht komen in een situatie waarbij ze zich nog enkel baseren op strikt zorgethische afwegingen, waarbij regelethische kantlijnen vervagen en het voor allen onduidelijk wordt voor wat en wie ze wel of niet staan.

Hoe teams zich bewegen op deze dimensie kan tenslotte ook samenhangen met het kader waarbinnen ze werken. Zo zal een team binnen residentiële jeugdzorg mogelijks meer bezig zijn met ‘(leefgroep)regels’ dan een mobiele werking die geen aandacht hoeft te spenderen aan het faciliteren van een rustig klimaat maar slechts te gast is bij mensen in hun eigen leefwereld.

Wanneer teams dreigen te polariseren naar een strikt regelethische of zorgethische ingang, dreigen ze voorvechters te worden van specifieke belangen en hiermee ook vele andere uit het oog te verliezen. De waaier die in dit soort eenstemmige overleggen tot stand komt, belicht dan heel veel realiteiten niet. Dit verschaft het team een smaller overzicht waarbinnen ze afwegingen kunnen maken, besluiten vormen en zich bewust positioneren. Een gepolariseerd teamoverleg brengt zo een risico mee op een haperende afstemming met cliënten en andere betrokkenen, die deze onderbelichte belangen wel degelijk voelen en willen benadrukken.

Van eenstemmigheid naar tweestemmigheid

Tegelijkertijd is tot consensus komen binnen een team verre van evident, zeker wanneer collega’s persoonlijk geraakt worden in de dilemma’s waar ze voor staan. De gemoederen kunnen dan ook hoog oplopen wat tot een polarisering binnen teams kan leiden.

Soms worden bepaalde teamleden dan ‘ambassadeurs’ van bepaalde belangen. Ze trekken keer op keer aan dezelfde kar, onderstrepen keer op keer hetzelfde. Dit doen ze mogelijk mee aangedreven door voorgaande ervaringen in teamoverleg, waar ze ondervonden dat deze kar niet getrokken werd wanneer zij dat niet deden.

Ook de verschillende posities binnen teams beïnvloeden het standpunt dat teamleden behartigen. Zo zal het helicopter-perspectief van leidinggevenden hen mogelijks vaker in een regelethisch perspectief doen belanden dan de individuele begeleider op een afdeling die nauw contact heeft met cliënten. Net zoals een leefgroepbegeleider – die een wijd takenpakket heeft om een afdeling draaiende te houden – mogelijks sneller een organisatorische realiteit zal inbrengen dan de contextbegeleider die slechts zijdelings verbonden is aan de groepswerking.

Het gevaar sluimert dat teamleden radicale posities innemen in teamoverleg: zij die bijvoorbeeld altijd de papieren realiteit behartigen (de ‘hartelozen’) en zij die altijd de individuele zorgvraag van een cliënt opnemen (de ‘redelozen’). Deze verstarring maakt het proces van het in kaart brengen van verschillende perspectieven alsmaar minder zichtbaar. Het lijkt steeds meer een dialoog die draait rond fundamentele, vastgeroeste visieverschillen op ‘goede zorg’.

Teamleden dreigen hier doof te worden voor het belang van elkaars insteek. Nieuwsgierigheid is nog ver te zoeken. Het in kaart brengen van de bewegingsruimte en de mogelijkheid om zich daarin te positioneren, komt hiermee onder druk te staan.

Van tweestemmigheid naar meerstemmigheid

Wanneer teams of teamleden in radicaliserende spiralen belanden is het de kunst om deze radicalisering te (h)erkennen als een fenomeen dat soms in overleggesprekken sluipt. Ons lijkt het op zulke momenten bruikbaar om te focussen op verschil: waar zien we dit precies? Hoe kunnen we dat begrijpen door het te contextualiseren binnen een web van factoren die daartoe bijdragen en die ertoe doen?

En daarnaast moeten we zoeken naar de overeenkomsten. Om te kunnen verschillen en verschil van anderen te kunnen verdragen, is een gevoel van overeenkomen namelijk erg belangrijk. Het is de zoektocht naar gezamenlijke grond van waaruit verschil niet alleen getolereerd maar ook opnieuw gewaardeerd kan worden.

Tot slot

Organisaties werken niet in een vacuüm. Het spanningsveld van regel – en zorgethiek speelt in teamoverleg maar raakt aan allerlei zaken die niet direct op de agenda staan. Dit spanningsveld ‘opzoeken’ gaat dan ook over meer dan alleen maar wat goede zorg is. Regelethiek gaat ook over ‘hoe kan een organisatie blijven bestaan en zich bewust blijven positioneren binnen het zorglandschap?’, net zoals zorgethiek ook gaat over ‘hoe kunnen medewerkers zich als competent ervaren en veilig werken?’

Het lijkt ons daarom essentieel dat wat er in specifieke begeleidingen gebeurt een impuls vormt om regelethiek te blijven evalueren en bijschaven. Met andere woorden: een alerte hantering van het spanningsveld op deze dimensie tijdens casuïstisch teamoverleg kan bijdragen aan het stellen van pertinente vragen die op andere overleggen een plaats hebben.

Wanneer een team bijvoorbeeld telkens opnieuw uitgenodigd wordt om een uitzondering te maken op een bepaalde regel, lijkt het ons goed dat ze zich de vraag stellen of het nog wijsheid is om die regel te blijven handhaven. Net zoals het ons zinvol lijkt dat, wanneer een team telkens opnieuw uitzonderingssituaties tegenkomen bij een cliënt, ze zich de vraag stellen of een ander aanbod niet beter gepast is.

Ook wanneer medewerkers blijvend botsen op zorgethische kwesties waar ze geen weg mee vinden, lijkt het ons belangrijk dat dit tot gesprekonderwerp wordt verheven en dat er met deze medewerker wordt bekeken hoe en of het mogelijk is om hier tot een andere ervaring te komen. Tegelijk kan het team de zorgethische belangen waar deze medewerker op hamert ook beluisteren als een signaal van een gemiste kans of een blinde vlek. Het team kan zo kijken of er structurele veranderingen of innovaties mogelijk zijn.

]]>
https://blog.interactie-academie.be/werk-en-organisatie/hoe-het-spreken-over-onderdeel-is-van-wat-doet-het-teamoverleg-met-de-hulpverlening-deel-3-zorgethiek-of-regelethiek/feed/ 0 20468
De burn-out dialoog: een dubbelinterview met Paul Castelijns en Mattias Van Hulle https://blog.interactie-academie.be/interview/de-burn-out-dialoog-een-dubbelinterview-met-paul-castelijns-en-mattias-van-hulle/ https://blog.interactie-academie.be/interview/de-burn-out-dialoog-een-dubbelinterview-met-paul-castelijns-en-mattias-van-hulle/#respond Tue, 04 Feb 2025 14:15:17 +0000 https://blog.interactie-academie.be/?p=20052 Burn-out blijft een erg actueel thema in onze samenleving. Hoewel de cijfers over prevalentie uit elkaar lopen, is er consensus dat burn-out een toenemend probleem is waar we allemaal – direct of indirect – mee in aanraking komen.

Voor verklaringen en oplossingen wordt er afwisselend ingezet op het individuele, organisatorische of maatschappelijke niveau. Tegelijk blijven er veel vraagtekens. Van beleidsmakers tot organisaties en individuele hulpverleners: we zijn dus allen zoekende. Een goede aanleiding voor een dubbelinterview!

Ik ga in gesprek met Paul Castelijns en Mattias Van Hulle. Paul is psycholoog en systeemtherapeut. Hij werkt aan een doctoraat over de behandelmogelijkheden bij burn-out vanuit een wetenschappelijk en systemisch perspectief. Mattias is doctor in de sociologie en schreef naar aanleiding van zijn doctoraat het boek De burn-out paradox.

Wat motiveerde jullie om onderzoek te doen rond burn-out?

Paul: Het klachtenbeeld van burn-out wordt in de maatschappij en de wetenschap gekoppeld aan een context: het werk. Dit is atypisch voor de klinische wereld: bij depressie of een angststoornis heb je dat zo niet. Als systeemtherapeut is deze koppeling echter vanzelfsprekend, dus dat vind ik interessant.

Een tweede motivatie is het snijvlak tussen de persoon en de professional. Vroeger las ik ook liefst de biografieën van filosofen, eerder dan het filosofische boek zelf. Je kan zo iets van persoonlijke drijfveren zien in de logica die een professional hanteert.

En tenslotte werk ik in een instituut waar we opleiding geven aan psychologen, therapeuten en psychiaters om hulpverleningspraktijken vorm te geven. Dat betekent dus dat je kijkt naar wat gangbare hulpverlening is en of daar verdere ontwikkeling zinvol is. Wat blijkt: de gangbare behandelingen van burn-out sluiten vaak niet aan bij het specifieke klachtenbeeld en het bewijs voor hun effectiviteit is beperkt.

Er hangt een zweem van mysterie rond burn-out: heel veel mensen worden erdoor getroffen, maar tegelijkertijd kunnen we het ook niet helemaal vastgrijpen

Mattias: Ik ben een cultuursocioloog en dus geïnteresseerd in de bredere cultuur. Ik hou me bezig met hoe de verhalen die we maatschappelijk vertellen de zaken zijn die we collectief ‘normaliseren’. Ook ziektebeelden zijn dus te begrijpen binnen een bepaalde cultuur. De meeste mensen denken bij een ziektebeeld aan een fysiologisch verschijnsel: een biologische verandering in de normale gang van zaken, met negatieve gevolgen. Maar hoe we die fysiologische ervaring kaderen hangt samen met wat we cultureel als normaal of niet normaal beschouwen.

Vanuit dat denkkader botste ik op het fenomeen burn-out. Er hangt een zweem van mysterie rond: heel veel mensen worden erdoor getroffen, maar tegelijkertijd kunnen we het ook niet helemaal vastgrijpen. Daarnaast wordt burn-out vaak als een maatschappij-ziekte omschreven, wat het voor een socioloog natuurlijk erg interessant maakt.

Wat viel je op wanneer je in de literatuur dook?

Paul: Je leert modellen kennen die beschrijven wat burn-out kenmerkt, hoe het ontstaat en welke factoren er van invloed op zijn. De uitwisselingen tussen de persoon met burn-out klachten en diens leidinggevende, de organisatie en de collega’s staan daarbij centraal. Soms worden de uitwisselingen in de persoonlijke context ook nog toegevoegd. En steeds vaker wordt nu ook een maatschappelijke context aangehaald, zoals de neoliberale samenleving of de invloed van de media. Er wordt dus steeds meer gekeken naar een brede waaier aan uitwisselingen.

De focus raakt steeds meer verbreed?

Paul: Schoorvoetend toch. Binnen de burn-out onderzoekswereld bestaat er echt een spanningsveld tussen onderzoek dat pleit voor de afbakening tot de werkcontext en onderzoek dat die afbakening te kort door de bocht vindt.

Zelf was ik opgetogen dat het überhaupt ging over uitwisselingen. Tegelijk wringt het me ook: onderzoek schetst veelal dat er bepaalde uitwisselingen zijn met een lineair effect op iemands klachten. Maar de invloed van de klachten op die uitwisselingen is onderbelicht. Dat is niet alleen theoretisch inconsequent. Vanuit een klinisch perspectief is het ook echt een gemis.

Herken je dat, Mattias?

Mattias: Volledig. Toen ik voor het eerst de literatuur in dook over burn-out, ben ik ook meteen beginnen praten met mensen met een burn-out ervaring. Uit deze gesprekken kwam dat interactieve gegeven steeds terug. Het is duidelijk dat een burn-out ervaring een sterk sociaal element heeft.

Tijdens het eerste jaar van mijn doctoraat las ik Interaction ritual chains, een heel interessant boek van Randall Collins. Zijn uitgangspunt is dat mensen geen entiteiten zijn, maar dat wij als het ware ‘stromen van interactie naar interactie’. In zijn visie kan elke interactie emotionele energie opwekken of doen afnemen. En wanneer mensen in een traject zitten waarin die emotionele energie chronisch afneemt, branden ze op. Dit is exact wat ik hoor van mensen die een burn-out ervaring hebben.

Hierdoor kwam ik op het idee om deze theorie te koppelen aan het onderwerp burn-out. Via de literatuur is het echter heel moeilijk om echt een definitie van burn-out te kunnen afbakenen. Ook de meetmodellen zijn methodologisch discutabel, omdat de stellingen bij vragenlijsten zoals de MBI (Maslach Burn-out Inventory, nvdr) momentopnames zijn en voor interpretatie vatbaar.

Hebben jullie het idee dat het concept meer helder geworden is?

Paul: Wilmar Schaufeli zegt dat het begrip aan inflatie onderhevig is en daar kan ik me wel in vinden. Veel burn-out onderzoekers zijn ooit gestart met een idee over een klachtencombinatie die we burn-out noemen, gekoppeld aan het werk. Maar we spreken nu ook over burn-out bij ouders of scholieren. De oorzaak lijkt dus niet meer zo duidelijk in het werk te worden gezocht als vroeger. Daar bovenop wordt het klachtenbeeld door verschillende onderzoekers ook anders omschreven.

Zowel de ideeën over de oorzaak van burn-out als over het klachtenbeeld zijn nog in beweging

Wanneer je zelf onderzoek doet, moet je dus kiezen. Ik koos voor een omschrijving die wordt gekenmerkt door emotionele uitputting, demotivatie en cognitieve en emotionele deregulatie. Je kan héél veel zeggen over de DSM, maar je ziet hier wel een zekere synchronisatie in het omschrijven van klachten en dat is bij burn-out nog steeds niet volledig gebeurd. Zowel de ideeën over de oorzaak als het klachtenbeeld zijn nog in beweging.

Mattias: Een omschrijving van burn-out is wel opgenomen in de laatste versie van de ICD. Dat is eigenlijk bijzonder, want de ICD staat voor International Classification of Diseases en tegelijkertijd zegt de woordvoerder dat het géén ziekte is. De ICD omschrijft burn-out als een work related phenomenon, maar tegelijk wordt duidelijk dat je de persoon niet kan los trekken van de professional.

Dat is in bredere zin ook zo: werk is geen afgebakend domein. Als we naar huis gaan, worden we niet ineens iemand anders. Of die afbakening dus zin heeft, is maar de vraag. Het maakt het concept meer helder, maar staat ook verder af van de realiteit van mensen. Wanneer we bijvoorbeeld spreken over stress hebben we het ook niet louter over een fysiologisch verschijnsel zoals de aanmaak van cortisol. Hoe heeft iemand iets zeer specifiek ervaren? Hoe kadert die ervaring binnen de bredere context van het traject dat die persoon de laatste weken of maanden heeft afgelegd?

Wat me in mijn klinische praktijk opvalt is dat het toch heel vaak niet enkel burn-out klachten zijn waar mensen mee worstelen. Er speelt dikwijls veel meer in hun leven. Hoe zien jullie dat?

Paul: In mijn onderzoek probeer ik die vraag te beantwoorden vanuit drie achtergronden: burn-out onderzoek, psychotherapeutisch onderzoek en klinische observaties. Vanuit die bronnen is het heel moeilijk te verantwoorden om als behandelaar enkel te focussen op de professionele context. Wanneer je als behandelaar ‘a priori’ besluit je te richten op de werkcontext, beperk je eigenlijk cliënten in het begrip dat ze kunnen ontwikkelen over hun eigen situatie.

Taalgebruik doet ertoe 

Daarnaast valt het me op dat onderzoek weinig aandacht besteedt aan de fluctuatie van klachten doorheen de tijd en ook niet aan de dynamiek tussen de uitwisselingen die mensen hebben met anderen en de klachten die zij ervaren. We weten echter uit algemeen psychotherapeutisch onderzoek dat het mensen helpt als ze daar verbanden in leren zien.

Ook taalgebruik doet er toe. Zoals Mattias al zei: de verhalen die wij elkaar vertellen over wat iets is, heeft ook invloed. Burn-out wordt soms een ziekte genoemd, dan weer een stoornis of een pathologie. Taalgebruik doet dus veel met hoe mensen en therapeuten het concept burn-out benaderen en daarover met elkaar spreken. Ik ben eerlijk gezegd voorstander van taalgebruik dat iets van dat dynamische karakter zichtbaar maakt. Of in ieder geval de boel niet helemaal dichttimmert.

Mattias: Taal creëert een sociale realiteit en mensen klampen zich eraan vast om hun eigen ervaring beter te begrijpen. Dat dynamische aspect op de voorgrond zetten vind ik dus inderdaad een hoopgevende piste.

Wordt er te veel over burn-out gesproken?

Paul: Als mensen hun eigen klachten omschrijven, is het goed als ze de mogelijkheid hebben om deze te koppelen aan de concrete situatie waarin ze zich bevinden. In die zin ben ik ergens wel blij dat er nu zo’n woord als burn-out bestaat.

Je kan je wel afvragen waarom dat bij burn-out bestaat maar bijvoorbeeld niet bij depressie. Nochtans komt het klachtenbeeld redelijk in de buurt. Tegelijk kan ik me wel voorstellen dat wanneer je je gewoon erg slecht en vermoeid voelt, je het woord burn-out prefereert boven een depressie.

Cliënten willen weten of ze een burn-out hebben of niet. Tegelijk merk ik dat het idee van burn-out ook schaamte met zich meebrengt.

Mattias: Het duiden van uitputting als een burn-out, hangt vanuit een sociologisch perspectief samen met onze neoliberale evolutie: een culturele context waarin verantwoordelijkheid, hard werken, presteren en succes boeken als een goeie zaak naar voor worden geschoven. Het tegenover gestelde hiervan is uitputting of geen energie hebben. Wanneer je niet meer constant positief kan zijn en van alles wil bereiken, maar moet toegeven dat het niet meer gaat.

Het feit dat we die ervaring kaderen als een ziektebeeld of als een aandoening zegt veel over wat we vandaag de dag normaliseren. We vinden het goed dat mensen hun energie laten zien en dingen willen bereiken. Als het niet meer lukt, moet dat wel een pathologie zijn.

Paul: Mensen vinden het stigma op burn-out inderdaad lastig, maar dat geldt ook voor depressie of schizofrenie. In die zin zijn we allemaal in hetzelfde bedje ziek. Maar het klopt, mensen met een burn-out doen niet meer mee en dat is pijnlijk. Ze voelen dat verschil.

Mattias: Een depressie wordt vaak wordt geduid als een ziekte. ‘Er is iets mis met je’. Een burn-out kan je ook kaderen vanuit de eisen die de maatschappij mensen oplegt: ‘Ik heb te hard geïnvesteerd’ of ‘Ik heb te hard mijn best gedaan om te doen wat er van mij gevraagd wordt’. In dat opzicht is het stigma op depressie misschien nog groter.

Toch lijken burn-out klachten heel vaak gepaard te gaan met een groot gevoel van falen.

Mattias: Burn-out is als concept voor het eerst beschreven in 1974 door de psychiater Herbert Freudenberger, niet toevallig in de context van de Amerikaanse sociale zorgverlening. We spreken hier over een cultureel-politieke context met veel sociale problemen: een opmars van armoede, misdaad en drugs. Tegelijk trok de overheid zich alsmaar meer terug. Ziekenhuizen, zorginstellingen, sociale hulpsectoren: het moesten plots winstmakende bedrijven worden om nog hulp te kunnen aanbieden. Dit was een heel ander denkpatroon binnen die organisaties en dus ook voor hun medewerkers. Die plotse spreidstand bleek te groot en bracht uitputting met zich mee.

In de decennia daarna zien we hoe dat neoliberale verhaal ook hier bij ons voet aan de grond gekregen heeft. Gelukkig is het minder extreem dan in Amerika: we hebben nog steeds sociale vangnetten die verankerd zijn in het solidariteitsprincipe.

We hebben de reflex om alles op onszelf te betrekken

Die structurele veranderingen zijn gepaard gegaan met een cultuurshift en het tot stand komen van een nieuw type ideaalburger. Vroeger waren we subjecten die moesten gehoorzamen. Vandaag zijn we projecten; we zijn ieder ons eigen eilandje. ‘Als ik maar hard genoeg werk en hard genoeg investeer, dan kan ik doen wat ik wil’.

Deze manier van denken heeft zich niet alleen in het werkveld geuit, maar ook daarnaast. We willen een zo prachtige reis maken om te laten zien dat we cultureel onderlegd zijn. We willen hobby’s hebben die ons persoonlijk laten groeien. We hebben de reflex om alles op onszelf te betrekken. Alleen al de term ‘investeren in jezelf’ laat zien hoezeer die economische terminologie is doorgesijpeld in ons dagelijks leven.

Ik vind het belangrijk dat de aandacht niet alleen maar wordt gericht op wat je wel en wat je niet kan, maar ook maar ook wat je wel en niet meer wil

Paul: Bij burn-out wordt uitputting als klacht centraal gesteld. Mensen die eigenlijk zeggen: ‘ik kan niet meer, ik kan niet meer presteren’. Maar eigenlijk toont dat voorbeeld van de privatisering van ziekenhuizen ook aan dat motivatie belangrijk is. Misschien vonden ze ook wel iets van wat ze nu moesten doen? Die dimensie is wel aanwezig binnen de onderzoeksliteratuur, maar wordt vaak vergeten in burn-out behandelingen.

Ik vind het dus belangrijk dat de aandacht niet alleen maar wordt gericht op wat je wel en wat je niet kan, maar ook maar ook wat je wel en niet meer wil. Hoe sta je eigenlijk in het leven en hoe wil je in het leven staan? Uit de onderzoeksliteratuur naar burn-out behandelingen, blijkt dat er heel weinig rond deze dimensie gewerkt wordt. Hiermee wil ik niet doorschieten in een vereenvoudigd denken over hoe mensen naar wens hun eigen leven kunnen vormgeven, maar dat gebrek aan motivatie kan wel heel zwaar op hen wegen.

Mattias: Het zorgpersoneel in die ziekenhuizen was niet alleen uitgeput. Mensen kozen voor die job omdat ze wilden zorgen voor mensen. Als je dan gedwongen wordt door je organisatie om je patiënten te benaderen als een afvinklijst die je zo efficiënt mogelijk moet afhandelen, druist dit in tegen je beweegredenen om de job te doen. Dit soort denken is doorheen de jaren ook verbreed naar andere sectoren. Ik hoor vaak mensen zeggen: ‘ik ben maar een nummer op mijn werk, wat doe ik daar eigenlijk nog’?

Mensen lijken bewust bezig te zijn met de vraag of ze hun werk nog graag doen. Is dat een nieuwe evolutie?

Mattias: we zijn de laatste decennia geëvolueerd van wat we noemen een ascribed naar een achieved maatschappij. Als je vroeger geboren werd als zoon van een bakker, dan was het vanzelfsprekend dat je bakker werd. Sinds de jaren ‘60 ‘is er meer keuzevrijheid. Dat is dan misschien de positieve kant van het neoliberalisme: men is zich meer bewust van de opties.

Eén van mijn voormalige collega’s deed onderzoek naar de crisis in de zorg. Haar conclusie is dat de zorg al ettelijke decennia gedevalueerd wordt. Niet alleen in financiële of extralegale compensaties voor wie in deze sector werkt, maar ook in het maatschappelijke aanzien.

Tijdens corona hebben we allemaal even geapplaudisseerd voor de zorg. Cynisch genoeg is het daar dan ook bij gebleven. De zorg voor die menselijke connectie lijkt haaks te staan op de waarden die een neoliberale cultuur dicteert. We vinden het sterk als mensen verantwoordelijkheid nemen, zelfredzaam zijn en autonoom. Het ondersteunen van anderen past hier niet in en zorgt voor een devaluatie van het zorgberoep.

Paul: Cliënten geven aan dat je plezier moet hebben in je werk. Dat je erin moet kunnen groeien als professional en als mens. Als je dan in een zorgsector belandt waar misschien de doorgroeimogelijkheden beperkt zijn door druk op de juiste diploma’s en je werk is tegelijk ook erg emotioneel belastend, dan klopt het plaatje op een zeker moment niet meer.

Mattias: Ook de soorten jobs in de zorg zijn, zeker in Vlaanderen, sterk geëvolueerd. Sinds de jaren ‘70 zijn we volop een diensteneconomie geworden. Ik ga het nu even heel zwart wit stellen: als een handarbeider op het einde van zijn werkdag zit, dan stopt het werk. Wanneer je een meer technisch probleem moet oplossen, blijf je hier echter over nadenken als je op de trein naar huis zit. Een mogelijke hypothese is dus dat de mentale vermoeidheid of belasting soms wel langer blijft nazinderen bij mensen en zich ook meer opstapelt.

je voelt ook altijd dat er verwachtingen van anderen meespelen

Paul: Ik vind het interessant om te kijken naar de verwachtingen die mensen ervaren. Je kan van jezelf een verwachting hebben: ‘ik moet dit kunnen’. Maar je voelt ook altijd dat er verwachtingen van anderen meespelen. Hoe hanteer je die? Wat als die hoog zijn of net onderling tegenstrijdig? De evolutie van handenarbeid naar een kenniseconomie gaat gepaard met een minder duidelijke afbakening van het werk, maar de verwachtingen zijn ook veel minder helder. Dat kan veel onrust doen ontstaan.

Burn-out onderzoek van Maslach en Leiter verwijst bijvoorbeeld naar de ervaring van een ‘mismatch’. Er is dus steeds ook de ander. Wanneer voel je dat wat jij belangrijk vindt en wat je van jezelf verwacht, overeenkomt met de ideeën en verwachtingen van anderen? Wanneer voel je dat het schuurt? Dat soort aandacht helpt om zicht te krijgen op wat er in die uitwisselingen tussen cliënten en verschillende anderen gebeurt.

Vanuit mijn klinisch perspectief probeer ik in mijn gesprekken een brede ingang te nemen op verschillende contexten en wisselwerkingen. En dat combineer ik met de dynamiek van klachten rond motivatie en prestaties. Wat ervaren mensen in hun uitwisselingen en relaties als belastend of juist opluchtend of steunend?

Het is belangrijk je de vraag te stellen hoe die problemen steeds gerelateerd zijn aan ervaringen in het verleden en de vooruitzichten die mensen hebben over wat er op hen afkomt

Mattias: Als je burn-out als een dynamisch concept bekijkt en rekening houdt met de steeds veranderende variabelen in de levenssfeer van de persoon in kwestie, vermijden we mensen te bekijken als een afgebakend eiland vol problemen. Het is belangrijk je de vraag te stellen hoe die problemen steeds gerelateerd zijn aan ervaringen in het verleden en de vooruitzichten die mensen hebben over wat er op hen afkomt.

Paul: Ik denk dat er echt veel verschil zit in welke mate verschillende mensen voelen dat de maatschappij iets ‘doet met hen’. Ik denk dat mensen gemakkelijker de invloed van hun leidinggevende of hun partner voelen dan dat ze ervaren hoe die bredere maatschappelijke context hen raakt.

In je doctoraat heb je ook aandacht voor de media. Ik vond dat interessant om te lezen, maar vroeg me tegelijk af of mensen echt ‘door hebben’ hoe uitingen in de media hen onder druk zet en verwachtingen creëert. Ik denk dat mensen die druk meer opmerken wanneer dat in contact met andere mensen gebeurt.

Een cliënt van me werkt in verzekeringen en geeft aan dat de bankensector helemaal veranderd is. Ze zegt dat ze vroeger meer tijd had om goed advies te geven en nu merkt dat haar werk vooral effectief en snel moet gebeuren. Het contact is ook steeds meer digitaal en onrechtstreeks. Dit zou ‘het nieuwe normaal’ zijn, maar zo voelt dat niet voor haar.

Mattias: Interessant, ja. Ik las laatst een artikel over het feit dat de arbeidsparticipatie van vrouwen aan de arbeidsmarkt is toegenomen. Rond de jaren ’90 was het nog 50% en in 2022 was dat bijna 70%. Dit werd dan beschreven als een zeer positieve evolutie, een echt gevolg van de emancipatie.

De andere zijde van dat verhaal is dat het voor veel gezinnen vandaag simpelweg nodig is om rond te komen. Een huis is niet meer te betalen met één loon. Als je ook kinderen hebt, breng je ze nog eens naar de opvang om je werk te kunnen doen, maar dat kost opnieuw geld. Als je dat dan koppelt aan de culturele context die aanmoedigt dat het individu zich zo goed mogelijk moet proberen te ontplooien, creëert dit een grote druk. Dat is voor veel mensen een dagelijkse realiteit.

Wat denk je dat er moet veranderen zodat er minder burn-out voorkomt?

We zullen moeten toewerken naar een maatschappelijk verhaal waarin sociale cohesie meer op de voorgrond wordt gezet

Mattias: Ik zie dat burn-out heel nauw samenhangt met cultuur en heb dat ook in mijn proefschrift en boek proberen aan te tonen. Ik ben van mening dat als we dit fenomeen willen laten verdwijnen, we zullen moeten toewerken naar een maatschappelijk verhaal waarin sociale cohesie meer op de voorgrond wordt gezet. We moeten het solidariteitsprincipe terug sexy maken ten opzichte van opvattingen over autonomie en individuele prestaties.

Voor zo’n cultuurwijziging zijn er geen pasklare antwoorden. Ik denk dat dat begint bij lokale initiatieven en mensen zoals Paul, die zoeken hoe ze een mindshift kunnen verwezenlijken. Ook werkgevers kunnen op een andere manier omgaan met prestaties. Een echte cultuurshift zal maar het gevolg zijn van kenteringen in verschillende contexten en sectoren.

Wat moet er veranderen op het vlak van behandeling?

Paul: Algemeen vind ik dat we meer rekening moeten houden met het burn-out onderzoek dat al bestaat. Er is echt een hele grote discrepantie tussen de behandelwereld en de onderzoekswereld op dat vlak. Daarnaast is het voor mij belangrijk dat hulpverleners die dynamische samenhang tussen uitwisselingen en klachten als uitgangspunt nemen. Zo kan je nadenken over wat er allemaal gebeurt in die uitwisselingen en welke mediërende factoren ertoe doen.

Spreken over burn-out als een ’toestand’ geeft iets weer van een tijdgebonden, beweeglijk karakter

Daar kan je als clinicus natuurlijk wat gedesoriënteerd van raken: er zijn zoveel mediërende factoren dat je op de duur door het bos de bomen niet meer ziet. Daarom is dat idee van een ‘match’ of ‘mismatch’ zo bruikbaar: deze focus plaatst mensen altijd in relatie tot concrete anderen. Je kan over verwachtingen gaan spreken, over wat mensen kunnen en niet kunnen, willen en niet meer willen.

En zoals ik al gezegd heb: ik hoop dat therapeuten geen al te statisch of pathologiserend taalgebruik hanteren. Dat mensen benaderd worden vanuit een ‘toestand’ of klachten die passen bij het woord burn-out, maar daarom geen burn-out hebben.

Het woord ‘toestand’ is weliswaar geen woord voor feestjes, maar het geeft iets weer van een tijdsgebonden karakter. Een ‘toestand’ is beweeglijk. Dat biedt hoop.

Ilke: Wat staat werkgevers hierin te doen?

Mattias: Wat volgens mij niet echt helpt, is het aanbieden van assertiviteitscursussen, stressresistentiecursussen of een uurtje yoga in de middag. Dat is opnieuw een individuele responsabilisering. Hoewel dat doorgaans goed bedoeld is, geeft het een verkeerd signaal. Ik denk dat de manier waarop een leidinggevende omgaat met werknemers enorm belangrijk is. Dat we letten op het taalgebruik waarin we klachten zoals bij burn-out benaderen, maar ook de wijze waarop we andere zaken in de samenwerking aankaarten.

Dat wordt soms weggezet als soft skills of van secundair belang, maar ik denk dat dit enorm belangrijk is: de manier waar we interacties aangaan, vormgeven of afsluiten. Werkdruk is tenslotte ook belangrijk, maar dat hangt voor mij samen met meer structurele mogelijkheden én moeilijkheden.

Ook werkgevers hebben burn-out klachten niet helemaal in de hand

Paul: Uiteraard hebben organisaties een verantwoordelijkheid rond preventie. Tegelijk moeten we beseffen dat ook werkgevers deze klachten niet helemaal in de hand hebben. Het zou goed zijn moesten werkgevers en werknemers geregeld met elkaar kunnen spreken of ze structureel iets ervaren van een match of mismatch op het ‘kunnen’ of ‘willen’. Dan maak je werknemers er ook meer sensitief voor. Zo neem je samen verantwoordelijkheid voor verandering die welzijnsbevorderend is én het bedrijf ook niet in moeilijke papieren brengt.

Connectie is essentieel voor onze gezondheid

Mattias: Wat vaak terugkwam in mijn gesprekken was het woord ‘ontmenselijking’. Mensen voelden zich ontmenselijkt door een situatie of door de relatie met een collega of leidinggevende. Ben je een nummer en een werkkracht die zo efficiënt mogelijk werk moet leveren? Of ben je in de eerste plek een mens die grieven of moeilijkheden kan aangeven en waar ook naar geluisterd wordt? Connectie zoeken en vinden met andere mensen is essentieel voor ons bestaan en onze gezondheid.

Paul: Als cultuur gaat over datgene wat we normaliseren, lijkt het me goed dat we dergelijke afstemmingsdialogen niet eens moeten typeren als ‘soft skills’, maar gewoon als gezond verstand. Het zijn normale, logische en gezonde gesprekken die uitval verminderen én bijdragen aan het welzijn van mensen.

Als werkgevers investeren in het gesprek met hun werknemers zal het ook voor hen zelf renderen?

Paul: Klopt, maar met als kleine kanttekening: het blijft een wisselwerking. De verantwoordelijkheid voor die gesprekken ligt nooit bij één persoon. Ook werknemers moeten het gesprek durven aangaan met hun leidinggevende en zich daar niet onnodig in geremd voelen.

Heren, hartelijk dank voor dit gesprek.

]]>
https://blog.interactie-academie.be/interview/de-burn-out-dialoog-een-dubbelinterview-met-paul-castelijns-en-mattias-van-hulle/feed/ 0 20052
In Beeld Gebracht – aflevering 21, met Kristien Schoevaerts https://blog.interactie-academie.be/in-beeld-gebracht/in-beeld-gebracht-aflevering-21-met-kristien-schoevaerts/ https://blog.interactie-academie.be/in-beeld-gebracht/in-beeld-gebracht-aflevering-21-met-kristien-schoevaerts/#respond Tue, 21 May 2024 05:55:00 +0000 https://blog.interactie-academie.be/?p=19415 Kort, bondig en toch altijd méér dan wat ‘popcorn voor de geest’. Dat is het opzet van In Beeld Gebracht. In dit format wordt telkens aan een andere opleider of supervisor van de Belgische Vereniging voor Relatie – en Gezinstherapie en Systeemcounseling gevraagd om een beeldfragment te kiezen. De antwoorden op een korte reeks terugkerende vragen geven samen met het fragment vorm aan reflecties die boeien, prikkelen of ontroeren.

In deze 21e aflevering is het de beurt aan Kristien Schoevaerts. Als systemisch en EFT-therapeute is ze verbonden aan praktijk De Boom. Ze is ook supervisor bij de BVRGS. Ze kiest voor een compilatiefragment uit de serie ‘After Life’.

Wat is de context van het fragment? 

‘After Life’ is een briljante tragikomische Britse serie uit 2022, geschreven, geregisseerd én geacteerd door Ricky Gervais. De serie schetst op een pakkende manier thema’s als verlies, hoop en het zoeken van existentiële en relationele zingeving.

Het verhaal gaat over Tony, een schrijver bij een lokale krant, die recent zijn vrouw verloor aan kanker. Hij verandert van de grappenmaker die hij tot nu toe was in een norse man, om zo de mensen die hem willen helpen op een afstand te houden. Hij gelooft dat, welke vorm van hulp hij ook zou aanvaarden, dit steevast zou betekenen dat hij het alomvattende verlies en de diepe liefde die hij heeft voor zijn vrouw zou miskennen.

De editor van het fragment maakte een reeks van drie compilaties. Ik koos voor de laatste: het geeft de kracht van menselijke verbinding prachtig weer.

Wat maakt dat je dit gekozen hebt? 

De serie schetst met aanwezigheid van fijne humor hoe Tony door een proces gaat waarin wanhoop, zinloosheid en bitterheid aanvankelijk op de voorgrond staan en uiteindelijk kunnen worden ingeruild voor nieuwe relationele betekenisgeving en zelfs een dieper verworven authenticiteit in het leven. Dat dit hem lukt is mee beïnvloed door de mensen in zijn omgeving, die elk op hun manier het gesprek met hem blijven aangaan.

Dit fragment geeft voor mij sterk weer hoe mensen elkaar nodig hebben bij het doorkomen van moeilijke gebeurtenissen in het leven. Zelfs al lijken de pogingen tot hulp en steun aanvankelijk niet te worden aangenomen, uiteindelijk is de menselijke connectie die verschil heeft kunnen maken.

De serie laat zien hoe mensen in de kern veerkrachtig zijn, maar elkaar ook nodig hebben om deze ‘krachtkern’ te kunnen hervinden. Het doet me herinneren dat elke mens op zijn manier, hoe klein het ook lijkt, verschil kan maken voor anderen.

Hoe is dit fragment voor jou verbonden aan de systeemtheorie of de systeemtherapie? 

Alle rouw is systemisch: mensen rouwen namelijk nooit ‘op zichzelf’, maar steeds omgeven door een context. Mensen in rouw zijn, zoals iedereen, in voortdurende interactie met betekenisvolle anderen, of dit nu gewenst is of niet. En de manier waarop anderen al dan niet worden toegelaten door iemand in rouw zegt voor mij iets over onze hechtingsblauwdruk, over hoe het al dan niet veilig was om met (moeilijke) gevoelens om te gaan in ons gezin van herkomst, in de aanwezigheid van anderen.

Ieder van ons heeft als jonge mens immers op een ingenieuze wijze gevonden hoe we onszelf het meest zichtbaar kunnen maken in onze gehechtheidsrelaties. En hoe we doorheen die relatie op een veilige manier verbinding kunnen maken met onszelf en de ander. In tijden van nood keren we eens te meer terug naar het mechanisme dat ons aanvankelijk erg heeft geholpen om ons te handhaven in de (relationele) wereld.

Tony heeft bijvoorbeeld geleerd dat humor werkt als brug naar verbinding met de ander, hij weet dat hij met deze vorm van interactie gezien wordt in de relationele wereld. Zijn gevoelens doorvoelen, laat staan zichtbaar maken aan anderen, is niet iets wat hij als veilig is gaan ervaren in zijn kindertijd.

Het overlijden van zijn vrouw is een alomvattend verlies, een existentiële wankeling. Alle betekenis in het leven verdwijnt voor hem. Hij weet niet meer wie hij is als hij zich niet kan verhouden tot zijn vrouw. Hij heeft geen idee hoe hij de gevoelens die hierdoor ontstaan kan, of zelfs wil, overwinnen.

Humor als coping kan in dit alomvattend verlies zijn werk niet meer doen, en gevoelens heeft hij niet leren reguleren, zijn niet veilig om aan te gaan. Aanvankelijk sluit hij zich af voor anderen en voor zichzelf, met bitterheid, zelfmedelijden en alcohol.

Deze coping klopt voor hem in wat hij geleerd heeft over hoe gevoelens (niet) kunnen worden doorvoeld. Het is zijn manier om eer te doen aan zijn vrouw en aan hoe belangrijk zij nog steeds voor hem is. Hij blijft kort bij wie hij was tot nu toe, en bij hoe zij hem kende.

Meer nog, het leven verder aangaan en op zoek gaan naar hulp zou op dat moment voor Tony betekenen dat hij zelfs ontrouw is aan de belofte van eeuwige verbinding met zijn vrouw. Hulp zoeken is immers vooruit willen gaan, en dus terug bestaansrecht geven aan zijn leven. Enkel door samen met haar ‘niet meer te bestaan’ kan hij loyaal blijven aan zijn belofte aan haar.

Het mooie aan de systemische bril is dat de niet aflatende authentieke teruggave van gevoelens en gedachten en het zien van zijn lijden door zijn naasten uiteindelijk net maken dat hij een veilige context begint te voelen om zijn gevoelens beetje bij beetje aan te gaan. Uiteindelijk helpt het hem zelfs authentieker en meer verbonden in de wereld te durven gaan staan.

Hoe inspireert het je in je praktijk als opleider of als therapeut? 

Deze serie bracht me weer aan het denken over wat systemische hulpverlening juist is, wat onze betrachting hierin dient te zijn en wat we van onszelf mogen verwachten als ‘good enough’ hulpverlener. Ik zie vaak hulpverleners die gebukt gaan onder de verpletterende verantwoordelijkheid die ze voelen naar hun cliëntsystemen. We voelen ons als hulpverlener vaak té verantwoordelijk voor de zichtbare verandering bij de cliënt of het cliëntsysteem en dit spiegelt zich in onze therapeutische proceskeuzes.

Als systemisch therapeuten en counselors kunnen we bijvoorbeeld geneigd zijn om mensen in hun rouwproces na een tijd aan te moedigen om contacten aan te gaan met belangrijke anderen en hun gevoelens te delen. We denken dat we hen al ruim ontvangen hebben met de emoties van het verlies en dat we voldoende begrip hebben gehad voor het zich afsluiten van de wereld. Het lijkt tijd om een in onze ogen ‘meer adaptieve’ coping te helpen creëren door steun te ervaren buiten de gespreksruimte.

Wat er echter veelal aan de basis ligt is onze eigen angst om inadequaat te zijn als hulpverlener. Geen zichtbare vooruitgang zien bij een cliënt kan in ons aanvoelen betekenen dat je het als hulpverlener niet goed genoeg doet, en dus een tandje bij moet steken. Maar dat is dus niet onze taak. Het gaat het proces ook niet versnellen.

Een denkbeweging: we zijn het erover eens dat alle menselijk gedrag betekenisvol is. Als systemisch denker kijken we dan ook steeds naar de hechtings- en relationele betekenis van dit gedrag. Een copingmechanisme kan vanuit onze hechtingsbril misschien niet adaptief zijn, gezien we getuige zijn van een maladaptieve emotieregulatie. Maar misschien is deze wél als enige mogelijkheid passend en betekenisvol op dat moment.

We weten dit als systemische denkers allemaal, en toch. Hoe lang zijn we in staat nabijheid te bieden en blijvend betekenis te helpen zoeken bij een in onze ogen maladaptieve coping? Al gauw komen we in de valkuil van “ik ben al even getuige en nu moet er toch iets gebeuren” of “wat ik tot nu toe deed werkt niet, dus ik moet iets anders doen of een duwtje geven”.

En dat is menselijk. Het kan pijn doen om mensen te zien lijden of om bij jezelf te ervaren dat er een ‘oud zeer’ van niet goed genoeg te zijn wakker wordt.

Toch is onze taak als hulpverleners niet het beogen van een zichtbare verandering, laat staan om het tempo te bepalen. Het is onze taak om samen met de cliënt te durven stilstaan bij zijn, haar of hun emotionele, relationele en hechtingsrealiteit.

Welk verhaal er zich voor ons ook ontvouwt, het is altijd de cliënt of het cliëntsysteem die bepaalt of en wanneer ze klaar zijn voor het aangaan van een nieuwe realiteit of nieuwe betekenisgeving, voor milderen of meer voeling maken met het authentieke zelf. In het als hulpverlener willen zien, begrijpen en het samen proberen benoemen van wat op dat moment aanwezig ís bij een individu, koppel of gezin, kan er innerlijke ruimte en veilige grond ontstaan voor (zelf)aanvaarding, nieuwe levensvreugde en een diepere menselijke verbondenheid.

Wie wil je graag dat het volgende fragment kiest?

Ik ben benieuwd naar de keuze van Katrien Lagrou.

]]>
https://blog.interactie-academie.be/in-beeld-gebracht/in-beeld-gebracht-aflevering-21-met-kristien-schoevaerts/feed/ 0 19415
Geen boodschap aan mijn boodschap-reddende boodschap https://blog.interactie-academie.be/opinie-debat/geen-boodschap-aan-mijn-boodschap-reddende-boodschap/ https://blog.interactie-academie.be/opinie-debat/geen-boodschap-aan-mijn-boodschap-reddende-boodschap/#comments Wed, 08 May 2024 05:50:22 +0000 https://blog.interactie-academie.be/?p=19391 Als ik boodschappen doe, ondervind ik hoe lastig het tegenwoordig is om het goed te doen in de buitenwereld. Ik rijd met mijn auto de parking van een winkelcentrum op. Een jongedame fietst voor mij uit en langs mij passeert een auto die reeds de boodschappen heeft gedaan.

Plots zie ik dat de mevrouw in de auto een aantal boodschappen is vergeten van het dak te halen. In een impuls probeer ik deze vrouw van een potentiële ramp te behoeden. Ik toeter en wijs met een pulserende vinger omhoog. De mevrouw heeft echter haast; ze negeert mijn gebaren en slaat de hoek om.

De jongedame op de fiets reageert wél. Ze kijkt boos achterom, geeft mij een middelvinger en schudt haar hoofd. Andere langslopende wandelaars geven mij afkeurende blikken. In mijn ogen ben ik in hun ogen een oversekste viezerik.

Het tegenovergestelde

Ik krijg de neiging om mijn raam open te doen en iedereen uit te leggen dat mijn intenties goed zijn. Ik probeer de chauffeur juist te helpen! Ik wil uitleggen dat ik ook totaal geen avances wil maken op de jongedame op de fiets! Ik besef echter dat daarmee de situatie alleen maar groter zal worden. Mijn uitleg kan opnieuw verkeerd geïnterpreteerd worden.

Beschaamd rijd ik door. Zelfs de boodschappen doe ik in een andere supermarkt om erger te voorkomen. Mijn goede intenties worden niet gezien. Sterker nog: mijn gedrag wordt dusdanig verkeerd geïnterpreteerd dat ik het tegenovergestelde word van wie ik eigenlijk probeer te zijn.

Ook in werkcontexten doen vergelijkbare situaties zich voor. Ik neem jullie mee in het verhaal van BARST! Vlogs.

Mijn goede vriend Lars werkt al jaren samen met Bert. Bert woont in een beschermde woonvorm voor mensen met verslaving, psychiatrische aandoeningen of een verstandelijke beperking. In dit werk kunnen begeleiders en cliënten soms een echte klik met elkaar hebben.

Dit is ook bij Lars en Bert het geval. Hun verbinding is breder en dieper dan in veel andere hulpverleningsrelaties. Humor vormt daarin een belangrijk onderdeel. Ze liggen regelmatig met elkaar in een deuk.

Positieve en verbindende effecten

Er ontstaat het idee om samen een vlog te maken. Ze bedenken dat het verzamelen, documenteren en delen van plezierige momenten weleens een fijne boost zou kunnen geven aan Bert’s leven. Daarnaast maken ze de bedenking dat, met een vlog, meer mensen kunnen meegenieten van de humoristische momenten van dit dynamische duo. Dit soort vlogs zou dus weleens positieve en verbindende effecten kunnen hebben. Maar zo’n onderneming is niet zonder risico’s.

Lars wikt en weegt en overlegt ook uitgebreid met de belangrijkste mensen uit Berts netwerk. Uiteindelijk is iedereen akkoord: ze schatten in dat deze toch wel onconventionele manier van werken voor Bert een heel positief iets kan zijn.

Na een tijdje ‘in de lucht’ te zijn, komen er zeer positieve reacties. De effecten zijn ook erg verbindend. Bert bloeit ervan op en geniet van de reacties die hij ontvangt. Daar waar er vaak een gevaar is voor sociaal isolement bij deze doelgroep, gebeurt nu het tegenovergestelde.

Zo zijn de zussen van Bert grote fan en laten ze soms zelfs Berts moeder van tweeënnegentig meegenieten van de vlogs. Lars hoort van Berts omgeving hoe leuk ze het vinden om meer van hem te zien en dat er een leuke kant van hem in de spotlight wordt gezet.

Ook mensen uit Lars zijn omgeving, inclusief ikzelf, bekommeren zich om Bert en vragen vaak aan Lars hoe het met Bert gaat. Het lijkt wel alsof de vlog een ‘verbindingsboost’ geeft tussen Bert en zijn directe omgeving enerzijds en met een breder stukje van de samenleving anderzijds.

Contextloze veroordelingen

Nu, de keerzijde. Lars krijgt ook negatieve reacties op de filmpjes van mensen die Bert noch Lars persoonlijk kennen. Hij krijgt allerlei opmerkingen te verduren dat hij ‘aandacht wil vragen over de rug van een zwakzinnige’ en andere negatieve uitlatingen. Deze opmerkingen kwetsen hem.

Als ik het met Lars hierover heb vertelt hij mij hoe hij de neiging moet onderdrukken te reageren op zulke aantijgingen. Net zoals ik in de supermarkt, maakt hij een logische keuze om niet te reageren op deze snelle, contextloze veroordelingen. Ook Lars schat in dat ‘uitleggen’ mogelijk alleen maar meer discussie geeft. En dus verwijdert Lars deze reacties, net zoals ik mijzelf verwijderde uit de supermarkt.

Deze twee situaties delen veel verwantschap. Ik probeer goed voor de ‘mevrouw van de boodschappen’ te zorgen en Lars probeert goed te zorgen voor Bert. Deze zorg wordt in beide gevallen door anderen verschillend geïnterpreteerd. Ik denk dat dit te maken heeft met een tendens in deze samenleving, waarbij het correct en respectvol omgaan met een variëteit aan mensen hoog in het vaandel wordt gedragen. Alle mannen moeten respectvol omgaan met vrouwen. Alle burgers moeten respectvol omgaan met mensen met een beperking.

Begrijp me niet verkeerd: als mens en als therapeut ben ik voorstander van die evolutie. Goed nadenken over hoe we respectvol met de ander omgaan is een groot goed.

Lars, Bert en ik worden echter geconfronteerd met de schaduwzijde van dit maatschappelijke streven. Anderen lijken te weten wat juist handelen is en weten of je deugt, terwijl ze geen zicht hebben op ’the bigger picture’. Erger nog: daar zijn ze soms ook helemaal niet nieuwsgierig naar. Zo gaat er een wezenlijk deel van het verhaal verloren. Lars, Bert en ik worden verkeerd begrepen en hard aangepakt.

Gelukkig zijn er – vaak in persoonlijke kring – wél mensen die nieuwsgierig zijn naar ’the bigger picture’ en merken ze onze goede intenties op. Daarmee lukt het Lars en mij in bovenstaande situaties om deze oordelen en soms algehele negativiteit te parkeren en weer wat te ontspannen.

Mildheid en ontspanning

Ik hoop dat deze blog uitnodigt voorzichtiger te zijn met invullingen van andermans intenties. Om interpretaties van andermans bedoelingen met wat mildheid en ontspanning te benaderen. In ons werk, maar zeker ook in de supermarkt of op Instagram.

Dat geldt ook voor mij en Lars. De volgende keer op café lach ik met mijn goede vriend nog eens over het toeter-incident en ik kijk nog maar eens een BARST! filmpje. Die laten mijn zorgen razendsnel verdwijnen en toveren een brede lach op mijn gezicht. Voor de geïnteresseerden: https://www.instagram.com/barst_vlogs/ 

_____

]]>
https://blog.interactie-academie.be/opinie-debat/geen-boodschap-aan-mijn-boodschap-reddende-boodschap/feed/ 2 19391
In Beeld Gebracht – aflevering 20, met Paul Heyndrickx https://blog.interactie-academie.be/in-beeld-gebracht/in-beeld-gebracht-aflevering-20-met-paul-heyndrickx/ https://blog.interactie-academie.be/in-beeld-gebracht/in-beeld-gebracht-aflevering-20-met-paul-heyndrickx/#respond Mon, 04 Mar 2024 11:59:27 +0000 https://blog.interactie-academie.be/?p=19225 Kort, bondig en toch altijd méér dan wat ‘popcorn voor de geest’. Dat is het opzet van In Beeld Gebracht. In dit format wordt telkens aan een andere opleider of supervisor van de Belgische Vereniging voor Relatie – en Gezinstherapie en Systeemcounseling gevraagd om een beeldfragment te kiezen. De antwoorden op een korte reeks terugkerende vragen geven samen met het fragment vorm aan reflecties die boeien, prikkelen of ontroeren.

In deze 20e aflevering is het de beurt aan Paul Heyndrickx. Hij is contextueel-systemisch therapeut en counselor, opleider en supervisor.

Wat is de context van het fragment? 

Ik koos voor de openingssequentie van ‘A Separation (Jodâyi-e Nâder az Simin)’, de prijzenwinnende film van Asghar Farhadi. Nâder en Simin hebben het plan opgevat om samen met hun dochter Termeh (11) Teheran te verlaten en naar het buitenland te verhuizen. Wanneer dit moment nadert besluit Nâder op zijn belofte terug te komen. Hij wil voor zijn vader zorgen die lijdt aan de ziekte van Alzheimer.

Simin stapt naar de rechter om de scheiding aan te vragen en de toestemming te krijgen Termeh mee te nemen naar het buitenland. In de openingsscene zitten Simin en Nâder voor de rechter. We zitten dus meteen midden in het conflict.

Wat maakt dat je dit gekozen hebt? 

Deze film won niet voor niks de Oscar voor beste niet Engelstalige film. Er is vooreerst de bijzondere vorm van dit fragment. De kijker zit in de positie van de rechter. Beide partijen pleiten voor hun standpunt en bekritiseren het standpunt van de ander. Zo herkenbaar. Zo menselijk.

Ik gebruik dit fragment vaak in opleiding en in presentaties. Telkens word ik opnieuw geraakt door het moment waarop Simin zegt dat Nâders vader niet eens meer weet dat deze zijn zoon is. “Maar ik weet dat hij mijn vader is!”, replikeert Nâder. Verder ontvouwt zich in dit fragment het drama: Termeh komt in de gespleten loyaliteit tussen haar moeder en vader te zitten.

In hun pleidooi hebben beide antagonisten het over zorg, deze voor de vorige en deze voor de volgende generatie. Maar welke is nu de goede zorg?

Hoe is dit fragment voor jou verbonden aan de systeemtheorie of de systeemtherapie? 

In dit fragment passeren verschillende contextuele begrippen de revue: loyaliteitsconflict, gespleten loyaliteit, passende zorg, gerechtigde aanspraak, …. We hebben echter geen theorie nodig om te zien hoe mensen gedreven worden door de zorg voor de mensen met wie zij door het leven verbonden zijn. En dat er over zorg niet altijd éénduidige standpunten zijn.

Het fragment gaat meteen ook transgenerationeel. Dit gaat niet alleen over deze twee mensen maar ook over hoe zij verbonden zijn met en zorgen voor de vorige en de volgende generatie.

Deze scène vertelt ook iets over vaders. In de psychosociale hulpverlening werken we zeer vaak met éénoudergezinnen, meestal moeder en kinderen. ‘Vader is niet in beeld’, of ‘Vader is niet geïnteresseerd’, lees of hoor ik dan. Op het genogram hangt hij er zo wat aan. Vaders zijn wèl geïnteresseerd, is mijn ervaring. Maar vaak weten zij echt niet meer wat ze moeten doen om toch als een goede vader (h)erkend te worden.

Hoe inspireert het je in je praktijk als opleider of als therapeut? 

Het is mijn ervaring dat prijsbeesten in de kunst, zoals sommige romans of deze film, in de openingssequentie de kijker meteen weten te raken in deze diepmenselijke thema’s. Wie zijn we voor elkaar en hoe zorgen we voor elkaar? Relationele ethiek, de vraag naar passende zorg, is een sterke motivator. De contextueel counselor of therapeut speelt in op deze sterke motiverende krachten.

Anders dan de rechter in het fragment zal de contextueel therapeut of counselor beurtelings achter de stoelen staan van allen die door de therapie worden beïnvloed. Dit noemen we meerzijdige partijdigheid. Op die manier ondersteunt de therapeut het proces van dialoog. Vanuit ethisch standpunt heb je bijzondere aandacht voor de meest kwetsbare of meest gekwetste: dochter Termeh, of de aan Alzheimer lijdende oude man. Alleen al het gesprek over wie het meest wordt gekwetst door de situatie doet dialoog ontstaan. De uitkomst is in handen van de betrokken personen.

Wanneer mensen worden gedreven door zorg zijn ze soms blind voor effecten op andere partijen. Hier passen mildheid en begrip. De therapeut oordeelt niet maar ondersteunt het proces van zelfvalidatie in de relaties.

Wie wil je graag dat het volgende fragment kiest? 

Ik ben benieuwd naar de keuze van Kristien Schoevaerts.

]]>
https://blog.interactie-academie.be/in-beeld-gebracht/in-beeld-gebracht-aflevering-20-met-paul-heyndrickx/feed/ 0 19225
De Piëta https://blog.interactie-academie.be/ter-inspiratie/de-pieta/ https://blog.interactie-academie.be/ter-inspiratie/de-pieta/#comments Mon, 19 Feb 2024 05:42:33 +0000 https://blog.interactie-academie.be/?p=19208 Op 1 november las ik in De Standaard een artikel over rouw en verwerking. Ik werd kwaad toen ik er het volgende las:  ‘Bij verwerking moet je aanvaarden dat diegene die gestorven is je niet meer kan horen, zien, voelen.’ 

In deze zin wordt niet alleen iets beschreven. Het is ook een normerende stelling waarin wordt voorgeschreven wat gezonde en ongezonde verwerking is. Het gaf me een claustrofobisch gevoel. Zo een gevoel is het tegenovergestelde van wat je nodig hebt wanneer je, zoals ik, een dierbare verliest. Dan zoek je ruimte, kijk je naar de lucht, naar de maan, naar het heelal en probeer je een wereld te verkennen waar tot nu toe geen bewijs voor bestaat.

Moeder onder de moeders

Voor mij geldt: mijn relatie met mijn zoon stopt niet over de dood. Ik blijf voor altijd zijn moeder. Ik neem en draag hem mee, mijn leven lang. Is er binnen onze maatschappij hier ook ruimte voor? Mag ik en mogen anderen de dood meenemen in het leven? Is er binnen onze maatschappij ook ruimte voor zo een persoonlijk vasthouden? Hoe mag ik moeder onder de moeders blijven?

Toen mijn jongste zoon uit het leven stapte, bleef ik als moeder met veel vragen zitten.  Hoe blijf ik overeind staan? Waar vind ik houvast en grond onder de voeten? Kan, mag en wil ik nog verder gaan? En hoe doe ik dat? In het begin was er een oneindig vallen in een onmetelijke diepte en duisternis. Er was enkel verlies. Ik voelde me verloren en liep verloren. Ik voelde me ook alleen. Afgesneden en
losgekoppeld van alles en iedereen die me dierbaar was.

Kort na zijn overlijden bezocht ik in de regen zijn graf en viel ik languit op de grond. Zelfs het aanreiken van een jas tegen de regen werd me als moeder ontnomen. Ik wilde zorgen voor mijn zoon. Ik wilde een moeder zijn, over de dood heen.

Herbergen in taal

Ik zocht een taal om iets uit te drukken van mijn immense verdriet en verscheurende pijn. Ik zocht naar taal die mijn verdriet draagbaar en deelbaar kon maken. Taal waarmee ik verbinding kon maken met mijn dierbaren. Manieren om in verbinding te blijven met mijn zoon. Manieren om minder alleen te zijn.

Taal en meer specifiek de geschreven taal helpt mij in die zoektocht. Het vergezelt mij al mijn leven lang als ankerpunt, steun en houvast. Mijn oorspronkelijke vragen werden langzaam maar zeker vergezeld met andere vragen. Bestaat er een wereld in taal waarin ik nog voor jou kan zorgen? Bestaan er verhalen waarin ik, jouw moeder, jou kan ‘herbergen’?

Sindsdien sta ik ‘s ochtends vroeg op om aan de keukentafel woorden, zinnen of stukjes verhaal neer te pennen. Niet noodzakelijk om al deze overspoelende ervaringen precies te vatten, maar om ze te laten bestaan, een plek te geven en eventueel te delen. Verdriet, pijn, gemis gaan leven in de neergeschreven verhalen. Al schrijvend ben ik in gesprek met mijn zoon en vele betrokkenen.

Mijn zoon wandelt mee doorheen het geschrijf en ik probeer voor hem te zorgen. Op die manier vrijwaar ik een plaatsje voor hem in deze wereld. Wanneer ik de verhalen aan anderen laat lezen, deel ik wie hij was en voor mij nog steeds is. In al zijn rijkdom en verscheidenheid.

De uitnodiging van dit magisch – realistische verhaal

Voor mij heeft het zoeken van taal en het schrijven van het onderstaande magisch-realistische verhaal vele betekenissen. In zekere zin is het een voorbeeld van mijn zoektocht om de dood mee te nemen in het leven, een plaats te geven op het marktplein, waar je elkaar dagelijks ontmoet.  Het verhaal toont mij ook iets van mijn eenzaamheid en verlatenheid die met deze zoektocht gepaard gaat.

In zekere zin is dit verhaal ook mijn uitnodiging naar anderen om verlies, rouw en eenzaamheid samen te dragen en vast te houden. Het is een poging om ruimte te maken voor verbondenheid via de verbeelding. Tegelijkertijd is het ook een pleidooi om tegenwicht te bieden aan de rationele, nuchtere en objectieve benadering van de dood – zoals omschreven in het krantenartikel – en ruimte te maken voor allerlei vormen van verwerking.

Misschien spreekt het verhaal je niet aan. Verdriet kan heel eenzaam zijn en de uitingsvormen zijn al dan niet sprekend voor de anderen. Maar laat het verhaal er dan ‘zijn’, als een uiting van onpeilbaar eenzaam verdriet.


De Piëta

Er was eens een klein dorp met nog een slager en een bakker, met een marktplein aan het gemeentehuis waar je op woensdag vis en kip kon kopen. ’s Morgens liepen er kleine kinderen gepakt en gezakt, al dan niet aan de hand van iemand, naar  school. Anderen stonden op de bus te wachten. Ja, voor je werk of voor de grote school moest je elders zijn.

Het wriemelde, het wemelde, een klein mierennest met daartussen een sliert auto’s met  ogenschijnlijk kalme chauffeurs. Ik vergat je nog te zeggen dat er ook een kerk was met een kerkplein, maar dat was verworden tot stiltegebied. Behalve als er iemand stierf in het dorp. Dan luidden de klokken en waren er te weinig parkeerplaatsen.

Anna huurde een klein appartement op de eerste verdieping boven de bakker met vensters die uitgaven op de markt .’s Avonds was het er meestal stil. Soms nog een paar mensen die hun geanimeerd gesprek wat verder zetten en hun stelling onderstreepten met krachtwoorden of anderen die murw door de dingen die tegenvielen in hun leven en door het glas teveel  pisten tegen de gevel van het volkshuis. Een daad van verzet die ’s nachts niet gezien werd maar ’s morgens wel stonk.

Op een nacht schrok ze wakker. Ze keek onmiddellijk naar haar wekker, verlicht en groter dan gewoonlijk staarden de één gevolgd door de twee vijven haar aan. Er was iets ongewoons, ze hoorde iets zoals een zware motor op het marktplein. Ze liep naar het venster en zag een zware zwarte vrachtwagen in het midden van de markt, met gedoofde lichten. Enkel de lantaarn verlichtte flauw de man die de deur van de legger opentrok en de klep neerliet.

Hij probeerde iets uit de laadbak te trekken en toen zag ze een grote houten kist, zo groot als de man zelf, in de opening verschijnen. Ze begon aan zichzelf te twijfelen toen het leek alsof de kist op eigen houtje naar de open plek van de markt rolde. Had zij nu alleen die vrachtwagen gehoord? Ze zag niemand anders voor een venster staan. Zo’n kist die schijnbaar alleen naar die open plek op de markt rolde. Een lichte kist, een kist met helium ballonnen voor een kinderfeest misschien? De man zette zich terug in de vrachtwagen en vertrok, geluidloos deze keer.

Verward keek ze naar de kist en naar de kleiner wordende achterkant van het gevaarte. Zou ze naar beneden gaan, proberen te achterhalen wat er in de kist zat? Zou het gevaarlijk zijn, springstof misschien? Hulpdiensten verwittigen, de politie? Een vriendin bellen? Blijkbaar was zij de enige die de levering van de kist gezien had. Ze had het niet zo voor de grote hulpmiddelen en ook al was ze bang, toch zou ze liever zelf achterhalen wat ‘ze’ daar gebracht hadden. Ze ging naar de keuken en zag dat Lupa nog sliep. Ook dat begreep ze niet. Steeds stond hij onmiddellijk naast haar, bij het minste geluid en nu sliep hij gewoon nog in zijn mand. Ook dat klopte niet.

Toen ze zijn leiband nam, stond hij slaapdronken recht, strekte zijn voorpoten en zette zich naast haar neer. Stil gingen ze naar beneden, Lupa ging recht naar de kist, ging zitten, blafte niet, snuffelde niet. En ook al maakte ze aanstalten om terug naar het appartement te gaan, Lupa bleef onbeweeglijk zitten, als een getrainde wachter. Ze probeerde hem van gedacht te doen veranderen door alleen naar de voordeur te gaan, maar Lupa bleef, legde zich neer en legde zijn kop op zijn twee voorpoten.

Tegen haar zin in zette ze zich dan maar op de bank op de markt tot het eerste licht kwam, tot de eerste mensen de deur achter zich toetrokken om naar hun werk te gaan. De ogen schijnbaar nog slaperig want niemand scheen de kist op te merken. Ze moet een beetje ingedommeld zijn, want toen ze haar ogen opendeed, zag zij ook geen kist. Het kostte haar heel veel moeite om op de bank te blijven zitten. Ze wou een kop koffie, ze wou binnen zijn. Ze voelde zich niet zo lekker in dit gedwongen niets doen en stil zitten.

Tot plots Fientje, het dochtertje van de bakker riep: ‘Kijk, hoe mooi! Kijk dan toch!’. Maar niemand reageerde. In het dorp wisten de meesten dat Fientje veel fantasie had en zo nu en dan een grapje maakte. Anna hield van Fientje. Fientje kwam haar dikwijls opzoeken en dan maakten ze samen een wandeling met Lupa. Ze begrepen elkaar, liepen hetzelfde ritme, deden soms evenwichtsoefeningen met de werkelijkheid op een denkbeeldig hooggespannen touw. Ze keken soms met een kinderlijke bril naar de wereld rondom hen, hielden van sprookjes. Eén plus één was soms 1,75 of 2,40.

Hun wereld was groter dan het meetbare, dan het bewijsbare. Zo konden ze gelukkig zijn. Zo was een bloem niet alleen mooi als ze openkwam en heerlijk rook, maar ook als haar bloemblaadjes bruin werden en als ze haar kop liet hangen. Dan keerde ze terug naar het bloemenrijk waar een ziel de essentie van alle bloemen was en opnieuw en opnieuw duizenden bloemen liet ontluiken en opnieuw en opnieuw duizenden bloemen liet verwelken en sterven zonder ooit zelf te sterven.

Anna keerde terug naar haar appartement, nam een kop koffie en keek naar de plek op de markt waar de kist stond of liever waar ze dacht dat ze de kist gezet hadden. Want, er was helemaal niets te zien. Zou ze een afspraak maken met de dokter? Ze moest het voor zichzelf toegeven: de laatste tijd vergat ze gemakkelijk en dat kortetermijngeheugen liet te wensen over. Maar hallucinaties, neen, dat was haar vreemd. En Lupa die ook niets gehoord had?!

En terwijl ze zo zat te mijmeren in haar zetel voor het venster en terwijl het verkeer drukker werd en de parkeerplaatsen op de markt beperkter werden, reed een gehaaste chauffeur naar de open plaats op de markt waar Anna de kist had zien droppen en waar nu niets stond. Wat gebeurt er nu, vroeg ze zich af! De gehaaste stapte geërgerd uit, keek onder de voorkant van zijn auto, keek vertwijfeld rond, stak zijn beide armen in de lucht en reed toen boos weg.

Hetzelfde scenario herhaalde zich met andere chauffeurs terwijl Anna nauwlettend toekeek vanop haar afstandje. Misschien waren het haar ogen, ook die zou ze laten nakijken. Zou het kunnen dat een groot verdriet, iets verandert in je hoofd, je anders doet denken?

Helemaal in de war, begon ook de dag voor haar, met zijn gewone routine. Ze vergat het voorval. Toch keek ze raar op toen ze enkele dagen nadien op de markt hoorde dat enkele burgers een klacht hadden geformuleerd die ze wilden voorleggen aan de gemeenteraad. Men vond dat het niet kon dat er een plek op de markt was die onbereikbaar geworden was voor de autobestuurder en voor de marktkramer.

Het kippenkraam dat normaal gezien die plaats toegewezen had gekregen, had al drie meter naar rechts moeten uitwijken omdat zijn eigen plaats oninneembaar was. Die man had nu een fikse boete gekregen  en een tweede aanmaning tot betaling omdat hij zonder voorafgaand overleg een niet toegewezen plaats op de markt had ingenomen. Dit moest onderzocht worden. Was er iets onder de grond, een soort straling? Misschien was die straling ook schadelijk voor de volksgezondheid.

Voor Anna was het een lichte geruststelling, ook anderen hadden iets buitengewoons vastgesteld. En  ze hoorde van anderen zeggen dat als je naar die plek ging dat het dan was alsof je tegen een hoge muur aanliep. Maar je deed je nooit pijn, hij was er maar het was alsof je tegen een muur van marshmallow aanliep. Ook de auto’s die er tegenreden hadden geen schrammetje. Iedereen in het dorp begon stilletjes aan te leven met een plaats op de markt waar je niet kon parkeren. Alleen de man van het kippenkraam kreeg bagger over zich heen omdat hij zijn boetes niet betaalde en trok met de hele zaak naar het vredegerecht met als gevolg dat er in het dorp als het markt was geen kippenkraam meer was.

Anna vergat het hele voorval, annuleerde de afspraak bij de neuroloog en de oogarts en catalogeerde het voorval tijdens een gesprek met haar vriendin als bizar, ongewoon maar eenmalig. En ook haar vriendin die wist hoeveel verdriet Anna had, dacht dat het hiermee verband hield.

Tot de nacht van donderdag op vrijdag, die nacht van vijf naar zes mei, het was één uur vijvenvijftig. Anna werd wakker omdat ze zacht gejammer hoorde op de markt. Ze liep naar het venster en kon haar ogen niet geloven. Ze vloog in haar nachtkleed naar beneden, liet de voordeur gewoon open staan en liep naar de zacht klagende witte gestalte op de plek die niemand kon betreden.

De witte vrouw bewoog, wiegde haar volwassen zoon, heen en weer, heen en weer, tranen liepen langs haar wangen, ze jammerde zachtjes en telkens streelde ze zacht zijn haar en zijn voorhoofd, kuste zijn voorhoofd en zijn haar. Anna versteende. Er was geen besef van tijd en ruimte. Toen rechtte Maria haar rug, opende haar armen en bijna onmerkbaar zacht liet ze haar zoon zakken zonder haar grip met haar rechterarm en hand los te laten zodat haar zoon meer voorover lag in haar rechterarm. Ze opende haar linkerhand en stak ze uit.

Haar blik werd rustig, sereen, verstilde. Haar geopende hand vertelde dat het was zoals het was, dat niets het nog ongedaan kon maken. Dan draaide ze het hoofd lichtjes naar Anna en zei: ‘Onze zonen zijn niet dood.’ Toen draaide ze haar hoofd terug en boog het lichtjes en keerde in zichzelf terug. De vrouw en de zoon versteenden bijna onmerkbaar. Voor haar zag Anna de piëta van Michelangelo, stralend wit. Ze bleef lang bij het beeld zitten, vergat de tijd, intens verbonden, dicht bij haar verdriet, dicht bij haar zoon.

Er stak een windje op. Ze voelde niet dat het koud werd ook al rilde ze. Met tegenzin maakte ze zich los van de magische plek. Ondanks de wind en de kou, wou ze gewoonweg blijven, maar het werd licht en zo nu en dan reed er een auto langs en aan de overkant van de straat liepen er gehaaste mensen in regenjas. Het rolluik van de bakkerszaak werd opgetrokken. Voor Anna was het een vreemdsoortig ontwaken, langzaam maar zeker drong het tot haar door dat het koud was en nu kon ze haar eigen ogen niet geloven, ze zat in haar nachtkleed op de markt en er was geen piëta.

Ze stond recht, liep naar de voordeur, zo snel ze kon want het was wat gênant in je nachtkleed in het midden van de markt. Ze stond voor een gesloten deur, waarschijnlijk toegevlogen door de wind. Ze belde aan bij haar buurvrouw van de tweede verdieping, kreeg geen gehoor. Het begon te regenen, haar nachtkleed begon aan haar lijf te plakken.

Nog eens bellen, langer nu. Dan realiseerde ze zich dat haar buurvrouw de vroege dienst had. Daar stond ze tegen de deur aangedrukt, tot Lydia, de bakkersvrouw voor haar stond. ‘Anna! Anna! Wat scheelt er!’ Dat kon Anna niet uitleggen. Wie kon nu zeggen dat Maria haar getroost had. Ze kreeg een kop koffie en een fleece over haar schouders en zat een tijdje aan de keukentafel bij Fientje die mokkend voor haar boterham zat, boos omdat ze geen cornflakes kreeg.

Ze hoorde Lydia bellen naar de dokter. Waarom vroeg ze zich af. Ze wou naar haar appartement naar Lupa. Ze vroeg nadrukkelijk naar haar reservesleutel, maar Lydia aarzelde en keek vol medelijden naar haar.

‘Lupa zit vast, moet naar buiten, ik moet zo snel mogelijk binnen geraken.’ Maar haar woorden werden niet gehoord, het was alsof ze niet uitgesproken werden. De bakkersvrouw keek in haar ogen, maar zag iets achter haar, of naast haar of in haar dat er helemaal niet was. ‘Voor Lupa zorgen we wel, maak je geen zorgen! Wil je me nu de reservesleutel geven.’ Ze keek naar haar, hoorde haar woorden maar reageerde er niet op. Anna praatte in het ijle. ‘De dokter komt zo!’ en dan legde ze haar hand op Anna’s hand.

Anna wou die hand helemaal niet, schoof ze langzaam weg maar eigenlijk wou ze ze wegkloppen. Laat me los, stom mens, laat me in mijn appartement, dacht ze. Er kwam een ziekenwagen. Er stapte een man uit, hij nam haar arm en maande haar aan om mee te gaan. Ze weigerde, riep dat ze naar haar appartement wou, dat haar hond daar was.

Ze verloor haar geduld, begon te slaan, haar haar in de war, haar lijf bijna zichtbaar door haar natte nachtjapon, een schouwspel voor de buurt. Ze hoorde de mensen zeggen: Anna draagt het niet, ze is geknakt, ze gaat naar het ziekenhuis, ze wordt gek.

Dan zag ze Fientje, ze was Lupa gaan halen. Lupa blafte naar de man van de ziekenwagen, gromde, toonde zijn tanden. De ambulancier deinsde achteruit. Dan ging de hond naast Anna zitten en likte haar hand. Zij stopte met roepen. De man droop af, zonder boe of ba. Anna ging met Lupa en Fientje naar boven, bedankte haar en gaf haar een dikke knuffel. Ze kuste de foto van haar zoon, deed een droog nachtkleed aan en sliep de hele dag.

’s Nachts werd ze opnieuw wakker. Een zware vrachtwagen rolde een grote kist in zijn oplegger en reed weg. Opnieuw was Lupa blijven slapen. Ze waakt voor het venster. Misschien maakt ze opnieuw een afspraak. Haar verdriet is onwezenlijk, tart alle verbeelding, neemt een loopje met alle wetmatigheden, doet dingen die niet mogelijk zijn.

En dan ziet ze dat een auto zich doodleuk parkeert op de plaats waar tot voor kort niemand kon staan.


Tot slot

Een louter rationele benadering van rouw geeft spirituele rouwervaringen geen bestaansrecht. Ik vertrek vanuit het idee en de ervaring dat die rationele wereld te klein is voor een groot verdriet. Ik wil met dit schrijven ruimte creëren om op diverse manieren te rouwen en te leven met onze overledenen.

_____

Verona Adriaensens werkt als counselor in Gezondheidscentrum ‘De Tragel’ te Dendermonde

Met dank aan Sabine Vermeire en Paul Castelijns. In gesprek met hen kon ik verduidelijken welke belangrijke betekenis deze tekst voor mij heeft. 

]]>
https://blog.interactie-academie.be/ter-inspiratie/de-pieta/feed/ 9 19208
In Beeld Gebracht – aflevering 19, met Peter Rober https://blog.interactie-academie.be/in-beeld-gebracht/in-beeld-gebracht-aflevering-19-met-peter-rober/ https://blog.interactie-academie.be/in-beeld-gebracht/in-beeld-gebracht-aflevering-19-met-peter-rober/#respond Mon, 22 Jan 2024 06:51:41 +0000 https://blog.interactie-academie.be/?p=19151 Kort, bondig en toch altijd méér dan wat ‘popcorn voor de geest’. Dat is het opzet van In Beeld Gebracht. In dit format wordt telkens aan een andere opleider of supervisor van de Belgische Vereniging voor Relatie – en Gezinstherapie en Systeemcounseling gevraagd om een beeldfragment te kiezen. De antwoorden op een korte reeks terugkerende vragen geven samen met het fragment vorm aan reflecties die boeien, prikkelen of ontroeren.

In deze 19de aflevering is het de beurt aan Peter Rober. Hij is klinisch psycholoog en gezinstherapeut en werkzaam in Context, het centrum voor relatie- en gezinstherapie van het Universitair Psychiatrisch Centrum KU Leuven. Daarnaast is hij als hoogleraar verbonden aan het Instituut voor Familiale en Seksuologische Wetenschappen van de Faculteit Geneeskunde KU Leuven. Hij kiest een fragment uit (500) Days of Summer, een onafhankelijke Amerikaanse film uit 2009.

Wat is de context van het fragment? 

“This is a story of boy meets girl, but it is not a love story,” zegt de voice-over bij de openingsscène. In deze film wordt terug geblikt op de relatie van Tom en Summer. Daarbij maakt Summer van in het begin duidelijk dat ze niet op zoek is naar een vaste relatie. Ze gelooft immers niet in de liefde. “Relationships are messy, and people’s feelings get hurt. Who needs it?” vertelt ze aan Tom. Maar Tom heeft gevoelens voor haar.

Wat maakt dat je dit gekozen hebt? 

Het is een mooie film, vol met creativiteit, humor en toffe muziek (The Smiths, Carla Bruni, …)  Maar het is ook een verdrietige, misschien in zekere zin zelfs donkere film. ‘Off-beat’ noemen de Amerikanen dat, geloof ik. Achteraf bekeken is het misschien vooral een realistische film die toont hoe het leven loopt, en hoe je probeert betekenis te geven aan wat er met je gebeurt. Hoe je keuzes tracht te maken om te krijgen wat je echt wil. En hoe het leven dan weer een andere wending neemt.

Hoe is dit fragment voor jou verbonden aan de systeemtheorie of de systeemtherapie? 

De film toont de magische kanten van liefde, maar ook de onbegrijpelijke én de pijnlijke. Het is dus wel een verhaal over liefde, maar geen ‘love story’. Ook tussen Tom en Summer loopt het spaak. Ondanks zijn verbijstering en verdriet gaat Tom verder met zijn leven, met vallen en opstaan.

Hoe inspireert het je in je praktijk als opleider of als therapeut? 

Als therapeut wil ik vooral mensen volgen in hun reis doorheen het leven. Ik probeer ze te helpen greep te krijgen op wat er gebeurt, maar ik probeer hen ook te helpen te aanvaarden waar je geen greep op krijgt.

Wie wil je graag dat het volgende fragment kiest? 

Ik ben benieuwd naar de keuze van Paul Heyndrickx.

]]>
https://blog.interactie-academie.be/in-beeld-gebracht/in-beeld-gebracht-aflevering-19-met-peter-rober/feed/ 0 19151
Ne Mobliez Mie – reflecties bij een theaterstuk https://blog.interactie-academie.be/uit-het-leven-gegrepen/ne-mobliez-mie-reflecties-bij-een-theaterstuk/ https://blog.interactie-academie.be/uit-het-leven-gegrepen/ne-mobliez-mie-reflecties-bij-een-theaterstuk/#respond Tue, 19 Dec 2023 14:43:35 +0000 https://blog.interactie-academie.be/?p=19081 Ik ben een theaterliefhebber en laat me heel regelmatig onderdompelen in een andere wereld. Ik hou van het podium, de live performance, de mooie zaal en zachte zetels. Ik geniet van de sfeer, van  deel uitmaken van het publiek, het applaus, het napraten en analyseren van het stuk. De dagen erna heb ik er nog deugd van. Voor mij is een theaterstuk geslaagd als het me geraakt heeft. En ‘Ne Mobliez Mie’ zinderde na.

‘Ne Mobliez Mie’ is het nieuwe, beklijvende theaterstuk van FC Bergman. Zij zijn een Antwerps theatergezelschap, dat al verschillende Europese prijzen won. Het collectief zorgt steeds voor vernieuwing en verrassingen en stelt me nooit teleur.

De laatste bewoonster van het kasteel

Naar aanleiding van de restauratie van het kasteel van Gaasbeek werd FC Bergman gevraagd om het kasteel van een tentoonstelling te voorzien. ‘Ne Mobliez Mie’ is het vervolg van deze audiovisuele expo. De tentoonstelling en de theatervoorstelling zijn beiden geïnspireerd door markiezin Arconati Visconti. Ze was de laatste bewoonster van het kasteel en overleed 100 jaar geleden.

Mevrouw Arconati Visconti erfde het kasteel van haar man, de markies, na een kort huwelijk. De markiezin liet het kasteel verbouwen tot een burcht. Ze transformeerde het tot een sprookjeskasteel, waarin zij eenzaam leefde in een wereld tussen realiteit en fantasie. De markiezin liet zich veelvuldig portretteren, waarbij verbeelding en melancholie zich vermengen in personages die op speelse wijze de genderrollen overschrijden.

Het woordeloze verhaal dat bij ‘Ne Mobliez Mie’ verteld wordt lijkt wel een parabel. Je kan er veel verschillende dingen in lezen of op projecteren. Dat bleek uit de nabespreking met FC Bergman, maar ook binnen ons gezelschap van zeven theaterliefhebbers, waarmee we die avond in de fluwelen zetels van de magische Bourlaschouwburg in Antwerpen mochten zetelen.

Hetzelfde gevoel van leegte

Film en theater wisselden elkaar af. Op de scène stond een enorme draaiende houten kubus. De mensen die de kubus benaderden, leken te willen begrijpen wat het was, maar hij bleef geheimzinnig doordraaien. In elk stukje film nam het hoofdpersonage een andere gedaante aan, net zoals de markiezin gedaan heeft in haar portretten: een porseleinen beeld van de maagd Maria in een tentoonstelling, een ridder in wapenuitrusting, prinses Diana, een kwal in een aquarium, een watermonster onder een kinderbed, afval op de schroothoop, een eenzame oude man, …

Bij elke nieuwe gedaante bekroop me hetzelfde gevoel van leegte. Hoe meer alternatieve identiteiten de vrouw creëerde, hoe eenzamer ze leek. Zowel het podium als de film gaven een bevreemdend gevoel.

Diezelfde leegte, eenzaamheid en isolement heb ik al wel eens gevoeld in gesprekken met cliënten die het leven niet meer zien zitten. Het isolement van de vrouw op het toneel leek wel de tragische gevangenis van het bestaan, die soms ook door cliënten beschreven wordt. Het is een onbeantwoord verlangen om contact te leggen met anderen, bemoeilijkt door een onvermogen – bij de cliënt of diens naasten – om tot ontmoeting te komen. Het is een eenzaamheid die leidt tot een beklemmende vervreemding van de ander.

Elke gedaantewisseling uit de film leek dat gevoel weer mee te brengen. Het publiek was toeschouwer, voelde mee en zag de pogingen tot verbinding op niets uitdraaien. Het was getuige van de impasse  en het isolement dat ermee samengaat.

Wie ben je als je niemand tegenkomt?

Ne Mobliez Mie is oud Frans en stond geschreven op een muur aan de slaapvertrekken van de markiezin. De vertaling zou verschillende dingen kunnen betekenen, zoals ‘beweeg me niet’ of ‘vergeet me niet’. Dat zette me aan het denken: wie ben je , als je niet gezien wordt? Wat is dan je rol in het leven en in de maatschappij? Kan je van rol wisselen, zoals de markiezin deed? En word je dan wél gezien? Of blijf je eerder in de vertrouwdheid van je eigen bestaan, je eigen plek en val je terug op jezelf?  De markiezin verdwaalt in fantasie, zolang ze geen contact kan maken met de anderen. Wie ben je als je niemand ‘tegenkomt’, niemand echt ontmoet?

Ruimte voor een onbehaaglijk gevoel

Doorheen de voorstelling wordt de markiezin achtervolgd door een hond. Hij lijkt als enige de vrouw en haar pijn te zien. Hij is de enige getuige van wie ze is, ondanks dat ook het publiek vanuit de zaal toekijkt. Als kijker hoop je daarom dat de hond een verschil kan maken, maar ook tussen de vrouw en de hond lijkt een echte ontmoeting onmogelijk.

Het deed me denken aan de uitspraak: ‘niets is zo erg als enkel begrepen te worden door je therapeut’. Wat als alleen de therapeut meevoelt en meeleeft en niemand anders lijkt te merken dat er iets speelt? De eenzaamheid die cliënten soms vertolken in een sessie kan me inderdaad verlammen. Ik krijg dan het gevoel dat ik de cliënt iets anders moet laten ervaren.

Op het podium werd er echter uitgebreid bij stilgestaan. Niets anders moest gevoeld worden. Het had iets moois. Dit onbehaaglijk gevoel mocht er zijn.  Zonder woorden kreeg het vorm. De beelden toonden hoe je samen taal kan vinden voor de worstelingen van een mens. Zo doordrongen van emotie, dat je er ongemakkelijk van wordt.

En tegelijk was ik opgelucht. Ik merkte dat de eenzaamheid van de vrouw ook herkenbaar was voor het publiek. Het publiek liet zich raken en verbond zich met de ervaring van de markiezin. Die herkenbaarheid wil ik ook graag meenemen in mijn gesprekken als therapeut. Het biedt me ruimte om erover in gesprek te gaan, zonder dat het verlamt. Stilstaan bij eenzaamheid wordt weer draaglijk.

_____

Beeld: © Ruben Impens

 

 

]]>
https://blog.interactie-academie.be/uit-het-leven-gegrepen/ne-mobliez-mie-reflecties-bij-een-theaterstuk/feed/ 0 19081